Er is geen gebruiker ingelogd

Column Wim Moll

Dingen die voorbij gaan.

Het zal vast en zeker de leeftijd zijn. Maar af en toe zijn er van die momenten, dat je er van bewust bent dingen anders te beleven dan veel jongere mensen. Dat gebeurt zeker, wanneer je aanwezig bent bij gesprekken van je puberkleinkinderen onderling of met leeftijdsgenootjes: een mengeling van Neder-Engels – “We zijn fucked up!!”, van straattaal en gewoon ABN. Tegen hun ouders en/of grootouders praten zij gelukkig wel ‘normaal’. Maar ja, de maatschappij om ons heen verandert. Wij ouderen kijken het hoofdschuddend aan. Dingen, die voor ons zo gewoon waren, krijgen nu een andere context.

Een paar dagen geleden keek ik naar het tv-programma “Volle zalen”. In die uitzending werd Huub van der Lubbe gevolgd, de leadzanger of frontman van popgroep “De Dijk”. Huub is niet meer de allerjongste (66), maar zijn band en hij gaan al jaren mee en mogen toch best populair genoemd worden. Deze zomer werden diverse festivals afgewerkt. De beelden getuigden van een grote publieke belangstelling, een veld vol deinende en meezingende mensen. Voor zijn optreden liep Huub over het terrein en maakte een praatje met, wat bleek, danseressen te zijn, een groepje meiden van zo ongeveer 20 jaar. In het gesprek kwam op een gegeven moment naar voren, dat zowel de meidengroep als Huub artiesten waren. Zij vroegen hem bij welke band hij dan wel hoorde. Zijn antwoord was natuurlijk: “De Dijk”, maar dat zei hen niets. Ze hadden nog nooit van die band gehoord (!!). Huub keek er toch even pijnlijk van op zijn neus, maakte er een grap over en nodige hen uit om straks even te komen kijken. Hij zal niet de eerste artiest zijn die met de generatiekloof geconfronteerd werd.

Een ander voorbeeld las ik in dagblad “Trouw”. Het ging over een hertaling van de roman van Louis Couperus: “Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan”. De hertaling werd gedemonstreerd door de vergelijking van een fragment uit de eerste druk van Couperus met de versie van vertaalster Michelle van Dijk. Je herinnert je het boek nog van je schooltijd. Toen, in de jaren ‘60-‘70 las je het boek voor je lijst. Het stond misschien ver van je af door het taalgebruik, de ingewikkelde familieverhoudingen, de zeden en de gebruiken van rond 1900, de Indische achtergronden, maar toch ervoer je het als bloemrijk. Als argument voor de hertaling werd aangevoerd, dat de leerling van tegenwoordig er niets meer van begrijpt. Bij ‘mandarijn’ (=een soort algemeen Chinees, vroeger één van de belangrijkste dialecten in China, vooral gebruikt door ambtenaren) werd gedacht aan de vrucht, de Indische woorden waren onbegrijpelijk, enzovoort. Het laatste is misschien nog begrijpelijk, omdat het voormalig Nederlands Indië geen deel meer uitmaakt van onze maatschappij, zodat veel woorden niet meer doorsijpelen in ons taalgebruik. Ik vond de hertaalde tekst een verarming. Of zoals in De Volkskrant stond: “Het was of de Sixtijnse kapel was overgeschilderd door Dick Bruna(!)” Maar ja, het is dus de vraag om de moderne jeugd met deze hertaling enthousiast te maken dit boek – en andere- te gaan lezen.

Nog zo’n – misschien onbenullig- voorval: in het kader van ‘100 jaar radio in Nederland’ werd het programma ”De Dik-voor-mekaar-show” gekozen tot ‘het radioprogramma van de eeuw’. Voor veel mensen van onze leeftijd, zeventigers, en onze kinderen, veertigers, een begrip. Al een groot aantal jaren is iedere ochtend op NPO Radio 1 een nieuwsquiz. De deelnemer van vrijdag was een goed belezen iemand, hij kende zijn nieuwsfeitjes. Bij het onderdeel ‘Wie of wat wordt bedoeld’ krijgt de deelnemer vier hints. De eerste hint was: “Daar is de koffie.” De volgende: Ome Joop en Harry Nak zijn er blij mee, enzovoort. De deelnemer wist het niet, had ook nog nooit van het programma gehoord. Het was een dertiger, die heeft het niet meer meegemaakt. Voor mij het bewijs dat het uit een voorbije tijd komt.

Je ziet het op radio en tv. Veel programma’s worden geüpdatet: een snellere presentatie, een jongere presentator m/v (met 40 ben je al oud!) of vervangen, vooral geen diepgaande gesprekken.
Wij ouderen kunnen gelukkig nog -heel selectief- onze herinneringen koesteren en tegelijkertijd midden in onze tijd staan.

Wim Moll

Waar een gesprek al niet toe kan leiden

Begin september 2019. Op een scholingsochtend van KBO Gelderland over ‘Eenzaamheid’ mocht ik een minuut of vijf iets vertellen over de werkgroep Identiteit & Zingeving, waar ik lid van ben. Na afloop kwam een man van mijn leeftijd – begin 70 - naar mij toe.

“Bent u die meneer Moll, die ook columns schrijft voor KBO Gelderland?” Ik was een beetje verrast, want zo word je niet vaak aangesproken. Ik antwoordde bevestigend. Hij ging verder: “Bij ons in de afdeling worden jullie columns in ons nieuwsblad geplaatst. Ik zit in de redactie en lees ze dus altijd. Meestal vind ik ze leuk, soms maak ik me boos. Maar ze zetten je op z’n minst aan het denken.” “Dat is ook onze bedoeling,” gaf ik als antwoord, “maar het is fijn om te horen, dat ze in ieder geval gelezen worden.” De man ging verder. “Ik weet al wat uw volgende onderwerp is.” “Nou,” zei ik, “Dan weet u meer dan ik, want ik zit nog heel erg in dubio.” “Waar denkt U dan aan?” zei hij. Een beetje beschroomd antwoordde ik: “Ik ben heel erg bezig met die rechtszaak tegen de huisarts, die wegens haar hulp bij euthanasie nu voor moord is aangeklaagd. En mevrouw Dijkstra van D66 wil opnieuw een wetsvoorstel over ‘Voltooid leven’ indienen. Ik heb al vaker over dat onderwerp geschreven, maar iedere keer komen er weer iets andere inzichten. Ik weet het nog niet hoe ik dat ga aanpakken.” “Wel eerlijk van u om er zo over te praten,” zei hij. “Maar wat dacht u van het onderwerp van vandaag? Eenzaamheid, dus. Iedereen heeft wel een eenzame buurman- of vrouw. Dan kunt u daar over schrijven. Zeg, succes ermee!” Lachend draaide hij zich om en liep weg.

Ik bleef verbouwereerd staan. Maar ik dacht meteen: waarom niet? Over enkele weken is weer ‘De Week van de eenzaamheid’ dus ik ben zeker actueel bezig. In mijn gedachten liep ik de lezing van de studiedag nog eens door. De bedoeling was in ieder geval om eenzaamheid bespreekbaar te willen maken. Om de zaken meteen duidelijk te maken begon te spreker met een definitie van het woord:

Eenzaamheid = een subjectief ervaren van een onplezierig of ontoelaatbaar gemis aan (kwaliteit) van bepaalde sociale relaties. (De Jong Gierveld en Van Tilburg)

Er werd gesproken over sociale, emotionele en existentiële eenzaamheid, op welke signalen je zou kunnen letten. We krijgen cijfers van Het RIVM, waaruit blijkt dat één op de tien Nederlanders sterk eenzaamheid ondervindt, wat oorzaken en gevolgen kunnen zijn en vooral ook: “Hoe kun je als niet-hulpverlener signalen herkennen?” Per slot van rekening komt een bestuurslid of een OA (ouderenadviseur) al gauw in contact met risicogroepen als: ouderen van 75+, alleenstaanden, chronische zieken, gehandicapten, (ex-)mantelzorgers en soms nog in een combinatie ervan.

Duidelijk was, dat er geen hapklare antwoorden te geven zijn, dat het voor een leek moeilijk is om signalen te interpreteren, dat je heel goed moet afwegen of je eenzaamheid bespreekbaar wilt maken. En als je het doet: maak er tijd voor, straal uit dat je wilt luisteren, dat je er tijd in wilt steken, dat je mededogen toont. Kortom, zorg dat er een vertrouwensband is of ontstaat.

Ik reed naar huis. Op een pleintje midden in ons dorp zat een man op een bankje, zijn rollator stond er een beetje naast geparkeerd. Ik had hem al vaker daar zien zitten, moederziel alleen. Via de KBO kende ik hem vaag, ik wist dat zijn vrouw onlangs was overleden. Ik parkeerde mijn auto, liep naar hem toe, legde even een hand op zijn schouder en zei: “Jan, hoe is het met je?” Hij sloeg zijn ogen naar mij op en zei: “Het is zoals het is. Maar kom erbij zitten, alleen is maar alleen.”

Waar een gesprek al niet toe kan leiden.

Wim Moll, september 2019


Open deuren

Als inwoner van Groesbeek help ik deze zomer als vrijwilliger bij Zomeropenstelling Kerk aan de Groesbeek.

Die zomeropenstelling is een initiatief van de Protestantse Gemeente te Groesbeek die haar zondagse diensten houdt in dat fraaie kerkgebouw. Ze zijn trots op de kerk. Op de gemeenschap en op het gebouw. Zeker op de eeuwenoude toren die stamt uit de 14de eeuw. Graag laten zij inwoners van Groesbeek, de wijde regio en vakantiegangers zien dat de kerk een springlevend onderdeel is van de Groesbeekse gemeenschap. Iedere vrijdagmiddag in de maanden juni tot en met september is er open huis. Kunstenaars exposeren hun werk, er is een zangworkshop, er wordt gemusiceerd. Bezoekers worden rondgeleid door de kerk en over het kerkhof. Voor wie behoefte heeft aan een gesprek is daar gelegenheid voor, eventueel onder het genot van een kopje koffie/thee of een glas water.

Het weer is ons welgevallig. De deuren staan wagenwijd open. Bezoekers worden gelokt door prachtige klanken die tot de straat reiken. Binnengekomen staan zij verbaasd over het prachtige licht en over al de activiteiten die ondernomen worden. Eerst zijn ze een beetje beschroomd. Ze zijn het niet gewend dat een kerk zo maar toegankelijk is. Meestal zijn de deuren gesloten. Als je al behoefte zou hebben om een kerk binnen te gaan, dan tref je vaak een gesloten deur. Als wij op reis zijn in één of ander buitenland, dan vinden we het de gewoonste zaak van de wereld dat je een kerk kunt binnenwandelen, de kunstwerken kunt bekijken, kunt gaan zitten voor een moment van rust en inkeer en als je het wil een kaars kunt aansteken voor een dierbare of jezelf.

Graag vertel ik over een ontmoeting met een jonge vrouw. Ik schatte haar op midden twintig. Een tattoo in haar nek, een vlotte verschijning. Zij vond zichzelf verlegen. Het was voor haar een hele stap geweest om de kerk binnen te lopen, maar zij had de klanken van een prachtige samenzang niet kunnen weerstaan. Daar stond zij in de deuropening en keek om zich heen. Onze blikken kruisten elkaar. Het stelde haar gerust dat ik haar tegemoet liep. Nadat ik haar rondgeleid had, raakten we in gesprek over spiritualiteit. Ze was zoekende, had al verschillende dingen geprobeerd: yoga, tarotkaarten leggen. Het gevoel hebben dat er meer is tussen hemel en aarde. Ze had het idee dat zij daar niet met leeftijdgenoten over kon praten. Omdat er meerdere vrijwilligers waren, die zich met andere bezoekers bezig hielden, hadden we alle tijd voor een goed gesprek. Voor haar leek een nieuwe wereld open te gaan. Ze woonde vlakbij en wist niet dat zij in deze kerk met haar vragen terecht kon. Dankbaar nam zij afscheid, beloofde om gauw terug te komen…

Het had zo moeten zijn, geloof ik. Opdringen helpt mensen niet, maar uitnodigen wel. En omdat die deuren toch open stonden kwamen verschillende mensen iedere keer terug, gewoon om te luisteren om te genieten van het mooie licht of van de rust, voor een goed gesprek, alsof zij er thuis waren. Hoe eenvoudig kan het zijn? Gewoon de deur openzetten en er zijn voor elkaar.

Wim Moll

 Een nationale hobby

Tijdens een lange treinrit wilde ik wat tweets bekijken op mijn mobiel. Ik volg een aantal politieke partijen, belangenorganisaties en hun kopstukken, alsmede een aantal landelijke kranten en tijdschriften.

Mijn blik viel op een tweet van KBO-PCOB. Het ging over hun standpunt inzake de onderhandelingen over het pensioenstelsel. Hoe onschuldig kan het zijn? In het standpunt van KBO-PCOB kon ik mij best vinden, maar ik was ook nieuwsgierig naar reacties op die tweet. Instemmend of niet? De eerste reacties waren best redelijk: ondersteunend of wat aanvullingen en aandachtspunten. Maar daarna leek het wel of er een bom ontploft was. Eén en al negativiteit!!! Het gaf mij een gevoel van onpasselijkheid en ik besloot de tweets maar weg te klikken en vooral niet te reageren. Ik wilde geen vervelende opmerkingen over mij heen krijgen. Het was me al vaker overkomen. Met name op Twitter, een enkele keer op Facebook en soms bij een reactie op een online krantenbericht.

Ik herinnerde mij een column van Arnon Grünberg in het mei-nummer van “Wordt Vervolgd”, het maandblad van Amnesty International. Hij heeft het daar over “het uiten van verontwaardiging en andere vormen van woede als een nationale hobby..” en dat “het democratische proces, ook wel genoemd het maatschappelijk debat is verworden tot een catalogisering van grieven”.

Als we kijken naar de huidige verkiezingscampagnes rond provinciale en Europese verkiezingen zou je bijna kunnen zeggen dat er voor iedere boosheid - voor iedere categorie - een partij is, die probeert de kiezer te verlokken met de boodschap van de oplossing van dat probleem. Van varkensstallen tot windmolens, van sociale ongelijkheid tot discriminatie, van het weren van vluchtelingen tot het wegsturen van de elite.

Naar mijn mening zou het uiten van grieven in principe - mits het op een fatsoenlijke manier gedaan wordt - moeten leiden tot een rechtvaardiger wereld, dat er iets gedaan wordt om dat onrecht op te heffen. Het is al decennia lang de basis van onze democratie. Maar het probleem is dat het agressief uiten niets met fatsoen te maken heeft - kijk op sociale media - . Populisme en onbeschoft gedrag van politici en hun aanhang viert overal ter wereld hoogtij. Het maakt de wereld niet rechtvaardiger. De verschillen worden steeds groter.

Ik blijf hoop houden dat er een kentering komt en dat onze beschaving gered wordt door fatsoenlijke politici. Politici, die wat vaker de moed zouden moeten hebben om hun achterban uit te leggen dat hun wensen en noden in die afstemming botsen op die van anderen. Gesteund door media, die daar ook beter van doordrongen zijn. En niet bezig zijn om de boel “op te jutten”. 

Wim Moll

Bij gebrek aan een lokkend vergezicht

Als argeloze krantenlezer, radioluisteraar of televisiekijker sta je af en toe versteld van de grote hoeveelheid negativiteit die je over je uitgestort krijgt. Vooral lijkt het wel of er een enorme hang naar het verleden is: vroeger was alles beter. Bij de Britten, de Russen, de Fransen, de Amerikanen en nog veel meer andere volken, zelfs wij Nederlanders – we willen net als vroeger er weer toe doen in de wereld. Zelfs in ons eigen landje zijn er mensen die openlijk naar de ‘oude tijd’ terug verlangen. Het komt soms wat vervreemdend over: is dit het land, de wereld waarin ik leven wil? In deze donkere dagen zou je er bijna depressief van worden! Verschillende columnisten proberen te zoeken naar verklaringen van dit fenomeen. Ook ik wil mijn licht hierover laten schijnen.

Eigenlijk is het fascinerend, die obsessie met het verleden. Waarom dompelen mensen zich er zo in onder? Voor sommige landen is het verklaarbaar. Rusland was als Sovjet-Unie een wereldmacht: één van de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog. Voor de gewone mens was de onderdrukking van het regime niet zichtbaar of kon worden verklaard vanuit een vijandsbeeld: het Westen was uit op ondermijning van het land. Ook Het Verenigd Koninkrijk was zo’n overwinnaar, maar moest in de jaren veertig tot en met zestig toezien hoe de meeste koloniën zich vrijmaakten en sommige zelfs braken met het moederland. Daar bovenop nog eens de teloorgang van mijnbouw en industrie: te ouderwets, te duur. Allemaal veranderingen waar de gewone man/vrouw alleen maar het slachtoffer van was en zich in de kou gezet voelde. Vooral het uitzichtloze, het geen of weinig kans zien om uit die situatie te komen, is daar debet aan.

Maar vreemd: eind jaren negentig ging er een golf van hoop door de wereld. Het IJzeren Gordijn viel: er leek ontspanning te komen tussen invloedsferen, er waren vredesbesprekingen tussen Israël en de Palestijnen. Op een gegeven moment was er zelfs sprake van een Arabische lente: dictators verdwenen van het toneel, er zouden betere betrekkingen komen tussen verschillende godsdiensten. Maar dat duurde maar kort. Nu hebben we het gevoel weer terug bij ‘af’ te zijn.

In de twintigste eeuw hadden we vooruitzichten. Landen maakten zich vrij van hun kolonisator, onderdrukkers werden verjaagd, in andere landen vonden revoluties plaats om een nieuwe maatschappij op te bouwen. Nu zijn we daar bang voor geworden. Het werd er meestal niet beter van. Na verloop van jaren raakte men van de regen in de drup. En er is nu niets dat daarvoor in de plaats komt. Aan studenten in de Verenigde Staten werd gevraagd of zij een film konden noemen die handelt over de toekomst: een utopisch vergezicht. Behalve “Back to the future” (uit 1985!) wisten zij slechts films te noemen die over catastrofes gaan: variërend van ecologische tot technologische rampen. Ook ik kan me geen film of boek voor de geest halen over een ‘dappere nieuwe wereld’ waarin iedereen graag wil wonen.

Ik blijf me verzetten tegen dat conservatisme en blijf zoeken naar mogelijkheden om een betere wereld te creëren: een wereld vol vrede en vooruitgang waarin mensen voldoende te eten hebben en duurzaam omgegaan wordt met de teruglopende krachtbronnen. En dat er een wereldwijde beweging ontstaat van jongeren die zich willen inzetten voor het milieu, geeft mij hoop.
Er gloort iets achter de horizon. Er gloort iets: we kunnen nog niet zien wat. Maar we hopen op dat prachtige vergezicht.

Wim Moll

Ruziemaken is gezond, zeggen ze.

“Boos worden of ruziemaken is goed om ‘je grenzen aan te geven’, want als je niet aangeeft waar jouw grenzen liggen, houdt niemand er rekening mee.”

Het leek mij een mooi begin om mijn column mee te starten. Deze week ben ik net als veel andere mensen nogal bezig geweest met het debat over de “Nashville-verklaring”. Toen ik er voor het eerst van hoorde, voelde ik me geschokt . Ik wilde het niet waar hebben dat in ons land op zo’n manier stelling genomen kon worden tegen lhbti’s. Met name de stelligheid van het geschrevene: ‘het geschrevene in de bijbel beschouwen we als een onwrikbare waarheid’ wekte mijn boosheid op.

Ik was niet de enige die de verklaring als kwetsend voor homo’s enz. had ervaren. Dat bleek wel in de stroom van artikelen die begin januari de media vulden. De meeste scribenten stelden zich te weer tegen de verklaring en haar ondertekenaars. Er werd gesproken over ‘mensen buiten sluiten, in de kou laten staan, ontkennen van de geaardheid van mensen’.

Voor sommigen van de ondertekenaars was het pamflet duidelijk bedoeld om een halt toe te roepen aan de –volgens hen- indoctrinatie van de genderideologie*, waarbij zelfs een vergelijking met het stilzwijgen over het nazisme werd gemaakt. Hoe dan ook, het was voor hen echt wel bedoeld om aan te geven dat de grenzen bereikt waren in het spreken over seksualiteit en de man-vrouw relaties. Om hun woorden kracht bij te zetten beroepen zij zich op ‘de schrift’, want wat in de bijbel staat is Gods woord en dus waar. De ondertekenaars kwamen voornamelijk uit protestantse kring. Maar in de kerstdagen riep ook een katholieke pastoor in een preek dat een strijd die gevoerd moest worden tegen ‘de genderideologie die ingaat tegen de scheppingsorde en datgene promoot wat niet katholiek is’.

Eigenlijk wisten we al lang dat in bepaalde geloofsgemeenschappen anders gedacht wordt over seksualiteit en de man-vrouwverhouding. Regelmatig ontstaat er ruis over een encycliek of een bisschoppelijke brief over vrouwen in het ambt of het homohuwelijk, over de opstelling van de SGP inzake de deelname van vrouwen in de politiek, over de synode van PKN waarin gedebatteerd wordt over het al dan niet inzegenen van homohuwelijken en/of relaties enz.

Was het 2000 jaar geleden niet Jezus, die zich volgens het Evangelie keerde tegen de Schriftgeleerden, die meenden de wijsheid in pacht te hebben, maar die het niet op konden brengen om barmhartigheid te tonen aan de mensen die het moeilijk hadden? En verklaarde zelfs Paulus niet dat er volgens hem “geen Joden of Grieken meer waren, geen slaven of vrijen, geen mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus.”

Voor velen is dat juist de reden om zich nog aangesproken te kunnen voelen tot het Christelijke geloof, zich ook als lhbti-er geborgen te voelen in Gods hand, het gevoel hebbend dat zij er mogen zijn. Vanuit die kracht stelden ook zij zich te weer en kregen veel steun uit allerlei hoeken van de kerk, protestants èn katholiek.

De ondertekenaars zijn geschrokken van het tumult dat zij hebben veroorzaakt. Sommigen trokken hun handtekening in, zwakten de verklaring af en volgden het advies van het Reformatorische Dagblad: ‘Stop de verklaring in de kast. Ga eerst wenen op de puinhopen.’

Daar gaat het om in een ruzie: houd rekening met de ander en geef elkaar de ruimte. Ga van jezelf uit, maar leg een ander niet jouw normen en waarden op. Respecteer elkaars grenzen. En zeg sorry als je te ver bent gegaan.

Wilt u reageren? Stuur een mail naar info@kbogelderland.nl .


Wim Moll 

*  Nashvilleverklaring (Wikipedia) = De Nashvilleverklaring is een document over het christelijk geloof, huwelijk en seksualiteit dat oorspronkelijk in 2017 in de Amerikaanse stad Nashville is opgesteld. December 2018 is het in het Nederlands vertaald en ondertekend door 250 protestantse predikanten en hoogleraren 
*  Genderideologie ( Wikipedia)= De lhbti-beweging wil dat we gaan geloven dat je je geslacht zelf kiest (lhbti staat voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen). Niet biologische kenmerken maar gevoelens bepalen je sekse. Deze ontdek je dus gaandeweg en ze kan ook wisselen. Volgens deze ideologie is het discriminerend om te zeggen dat heteroseksualiteit de norm is – diversiteit is de standaard.

Zingeving in de praktijk

“Dank u wel voor deze inspirerende dag!” Een ouder echtpaar uit Apeldoorn schudde mij de hand. “We hebben genoten: prachtige gesprekken, boeiende workshops en een slottoespraak die je aan het denken zet.” Ik stamelde nog wat, dat deze dag door een hele groep was voorbereid, dat we het graag hadden gedaan en dat we hoopten dat mensen er thuis – in hun eigen woonomgeving – ook nog iets aan zouden hebben.

Het was op 1 november jl. op de Inspiratiedag ‘Omtrent het levenseinde’ in Het Dominicanenklooster in Huissen, georganiseerd door KBO-PCOB in samenwerking met de werkgroep Zingeving en Identiteit van KBO-PCOB in Gelderland. Als lid van die werkgroep was ik bij de organisatie van de dag betrokken.

Zingeving als één van de speerpunten van KBO-PCOB, naast Wonen, Welzijn en Zorg, Veiligheid, Koopkracht en Digitalisering. Voor mij is deze de belangrijkste, want hiermee kun je het onderscheid maken met andere ouderenbonden. Er mag dan in de media gesproken worden over een afnemende belangstelling voor religiositeit, met zo’n 250 deelnemers uit voornamelijk Gelderland, maar ook uit andere delen van het land hadden wij daar niet over te klagen.

In de ochtend luisterden de deelnemers naar een interview met Ivan Wolffers, schrijver van boeken over medische zaken, maar ook van romans. Hij vertelde hoe het is om al vele jaren te leven met ‘de dood voor ogen’ in verband met een onbehandelbare kanker, wat dat doet met je mensbeeld en je kijk op de wereld.

Daarna volgden de deelnemers workshops: praten over euthanasie en ‘een voltooid leven’, luisteren naar hoe medici hier tegenaan kijken en er met hen over in gesprek gaan. Maar ook: hoe schrijf ik een brief aan mijn naaste om uit te leggen hoe ik mijn leven bezie en wat mijn wensen zijn over mijn levenseinde, hoe kun je mensen begeleiden in gesprekken daarover. Er werden zelfs liederen gezongen rond dit thema.

Mij verbaasde wel, hoe mensen die hoorbaar uit een verschillende geloofskring kwamen met respect elkaars argumenten wogen en bespraken. Hoe zij vanuit hun achtergrond vertelden over hun beleving van deze levensfase met oog voor overeenkomsten en verschillen. Hoe zij bij begrafenissen en crematies rituelen uit verschillende religies integreren.

En vooral viel mij op dat aan het eind van de toespraak van Claartje Kruijff, de voormalige’ theologe des vaderlands’, er een sfeer in de zaal hing van: “Zo zou een voorganger moet zijn, als we zo ons geloof konden beleven: dat zou toch prachtig zijn.” Eén van de aanwezigen vroeg nog aan haar waarom zij haar Theoloog des vaderlands-schap niet had gebruikt om kerken beter bij de beleving van mensen aan te laten sluiten, een vraag die gepaard ging met veel instemmend gemompel.

In een nagesprek bleek dat veel mensen deze dag inspirerend hadden gevonden: katholieken, protestanten en zoekenden. Ook ik had er een goed gevoel aan over gehouden.

Een ‘zinvolle’ invulling van zingeving. Een aanrader!

Wim Moll


Een zelfgekozen dood

Zondag 9 september keek ik naar “Jacobine op Zondag”, NPO TV2. Het onderwerp van de talkshow was: ‘Hoe brengen we het aantal zelfdodingen op nul?’ De gast was Jan Mokkenstorm, psychiater en oprichter van 113 Zelfmoordpreventie. De strekking van het gesprek was, dat het gelukt was om het aantal zelfdodingen enorm terug te brengen door goede interventies.

De zelfmoordtelefoon 0900-0113 was meestal het eerste moment waarop potentiële slachtoffers in contact kwamen met hulpverleners, vooral de aandacht, die de hulpvragers ondervonden was vaak een belangrijke stap op weg naar verbetering van hun situatie. Weliswaar moest daarna nog een lang behandelingstraject met veelal psychiatrische hulp worden afgelegd, maar het grootste gevaar was afgewend. Mokkenstorm was ondanks de goede resultaten nog niet tevreden. Zijn ‘heilig’ doel was om het aantal zelfdodingen terug te brengen tot nul.

In gedachten dreef ik weg naar de “Waardig Levenseinde”-discussie. Met name waarin sommigen het recht bepleiten op een zelfgekozen levenseinde. Ik heb het dan niet over mensen, die ernstig ziek zijn en waarvan het uitzicht op genezing vrijwel nihil is. In die gevallen heb ik er begrip voor dat het leven niet eindeloos gerekt wordt en bepleit ik ook verlossing uit het lijden. Het gaat mij meer om ouderen, die een zelfgekozen dood willen uit eenzaamheid, angst een last te zijn voor hun omgeving of omdat zij niet in een verpleeghuis willen, of in hun situatie op dat moment menen dat het ‘genoeg’ is.

Met de successen van 113 Zelfmoordpreventie in het achterhoofd zou ook gedacht kunnen worden aan een andere aanpak. Namelijk, om deze groep ouderen te helpen door het geven van aandacht, door gesprekken, door kleinschalige opvang gericht op hun psychosociale problematiek. De onderzoeken van Els van Wijngaarden onder mensen die uiteindelijk afzagen van hun euthanasiewens gaven aan dat er op het laatste moment een gebeurtenis was, waardoor er meer licht in de psychische duisternis kwam en zij moed vatten om door te gaan met hun leven. Soms is het zelfs zo dat mensen in de wetenschap dat zij eventueel euthanasie kunnen plegen en het feit, dat zij zich serieus genomen voelen in die gedachte, de moed en de vrijheid hervinden om door te gaan met leven.

Een vriend vertelde mij laatst over zijn broer, ernstig lijdend aan endeldarmkanker. Hij kon niet omgaan met de afhankelijkheid van steeds verschillende verzorgenden, met het feit dat hij een stoma kreeg. Hij bouwde een pantser om zich heen, vervreemdde zich van zijn kinderen, familie en vrienden, belandde in een vicieuze cirkel van ziekte en eenzaamheid, verlangde daardoor naar het eind van zijn leven. Iedereen om hem heen wist, dat dit niet het leven was, dat hij zich gewenst had en had daar begrip voor. Hij had al enige gesprekken gehad met zijn huisarts over euthanasie.

En toen kwam Ria in zijn leven. Eerst de zoveelste verzorgende in een rij. Maar met haar had hij een klik. Ze zat bij hem, praatte met hem, bracht licht in zijn leven, leerde hem omgaan met zijn beperkingen en opnieuw genieten van het leven. Er ontstond een hechte relatie met haar. Hij liet zijn kinderen, zijn broer en anderen weer toe in zijn leven. Zijn gezondheid knapte weer op, hij verkocht zelfs zijn huis en ging met Ria samenwonen. Hij beleefde nog een aantal gelukkige jaren met haar, tot de ziekte definitief een einde aan zijn leven maakte. Vlak voor zijn dood sprak hij met zijn broer over de laatste jaren als ‘de beste tijd van zijn leven’.
Wim Moll

Naschrift:
De seniorenorganisatie KBO-PCOB, KBO Gelderland, het project Van betekenis tot het einde (www.ikwilmetjepraten.nu) en het Dominicanenklooster Huissen organiseren een
Inspiratiedag in het denken en voelen over leven en eindigheid op 1 november van 10.00 -16.30 in het Dominicanenklooster te Huissen.
Meer info op de website van KBO Gelderland ( www.kbogelderland.nl ) en die van Dominicanenklooster Huissen ( www.kloosterhuissen.nl )


Onze kinderen doen het anders

Enkele keren per dag schalt het uit de reclame op de radio: onze kinderen doen het anders. Ze willen geen auto meer in eigendom, maar delen er één, ze gaan niet naar een hotel of een vakantiepark, maar huren het huis van een bekende. Wiens kinderen bedoeld zijn: ik weet het niet. Als zeventigjarige denk ik aan de generatie van mijn kinderen, de veertigers, de patatgeneratie. De reclamemaker bedoelt waarschijnlijk een nog jongere groep: de mensen van rond de dertig, de internetgeneratie. Als babyboomers hebben wij al afgedaan. Aan ons is niet zo veel meer te verdienen. De verdiensten moeten nu van de generatie na ons komen, de vijftigers, ook wel generatie x of nix genoemd.

Maar dat onze kinderen dingen anders aanpakken dan wij gedaan hebben, is natuurlijk een wijsheid als een koe, dat is nogal wiedes. Iedere generatie zet zich op de een of andere manier af tegen de vorige. Het zou gek zijn als het niet zo was. En bovendien: we wisten het zelf ook beter dan onze eigen ouders, wij zouden wel even laten zien dat onze manier van leven beter was.

De jeugd van ons als zeventigers werd nog in hoge mate bepaald door een zekere “dwang” van kerken en/of politieke partijen. Kerkbezoek werd vaak als een verplichting gezien, sport en cultuur werd vaak onder katholieke, protestantse of socialistische vlag beoefend. Met vaak pijnlijke buitensluiting tot gevolg, wie niet tot de groep hoorde, mocht niet meedoen. In de jaren zestig/zeventig leidde dit tot verzet daartegen. We gingen er anders over denken, waardoor de panelen langzaam veranderden. Door sommigen als een verbetering gezien, door anderen als achteruitgang.

Laatst hoorde ik het verhaal van een meneer op leeftijd, diep gelovig. Hij vertelde dat hij een conflict had met zijn zoon, het leek onoplosbaar. De zoon had aan vader verteld dat hij overwoog om van zijn vrouw te scheiden. Dat kon volgens de vader niet, dat had hij hem niet voorgeleefd. Zijn adagium was: wat God heeft samengebracht, zullen de mensen niet scheiden. Hij had het ook zo aan zijn zoon verteld. Deze had op zijn beurt geprobeerd vader te overtuigen, maar ze waren er niet uitgekomen. Met als gevolg, dat zij elkaar nu al maanden niet meer hadden gesproken. Het deed hem pijn, maar hij vond dat hij gelijk had, hij bleef op zijn standpunt staan. Tegelijkertijd vroeg hij zich af of meer mensen van zijn leeftijd met dit soort problemen kampten, hij zou daar eigenlijk met anderen over willen praten.

Of het nu mijn leeftijd – ik ben een babyboomer- was, of mijn opvoeding, maar ik dacht: dit is een begin: ga in gesprek met elkaar, probeer elkaar te vinden, heb respect voor een afwijkende mening. En als leerkracht heb ik dit steeds doorgegeven aan alle generaties van 1970 tot 2010. Ik deed het toch anders.

Wim Moll, juli 2018

De reünie

Ik tikte haar nummer in op mijn telefoon. Het signaal ging een paar keer over. De telefoon werd ogenomen. Een stem van een oudere dame klonk alsof ze gestoord werd in een rustige avond: “Met Kuiper.” Ik antwoordde: “Hallo Alice, met Wim, je oude klasgenoot van de Kweekschool. Heb je tijd voor een praatje?” Aan de andere kant: “Wim? Klasgenoot? Kweekschool? Oh… Wim, ben jij het echt? Waarom bel je me? Hoe heb je me gevonden? Hoe gaat het met je?”

De oudere vrouw van daarnet was opeens weer een twintigjarige geworden. Zo klonk het tenminste. In mijn gedachten zag ik weer een ballerina, die door de gangen van onze oude kweekschool leek te zweven, vol van passie pratend over dansen en optredens, over haar wens om na haar studie naar Israël te gaan om in een kibboets te werken. We praatten over van alles en nog wat. We lieten in een notendop ons leven de revue passeren. Zij wist zich van mij dingen te herinneren, waar ik zelf niets meer van wist. Het geheugen is selectief zeggen ze. De tijd vloog om. Er was nog genoeg te bespreken, dus ja, ze was in voor een reünie.

Met een oude schoolvriend was het plan opgevat om te kijken of onze oud-klasgenoten het leuk zouden vinden om vijftig jaar na ons afstuderen nog een keer bij elkaar te komen. Ik nam mij voor om dan eerst maar eens te kijken of ik met de oud-klasgenoten in contact kon komen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Er was gelukkig een lijst met –misschien verouderde- adressen en telefoonnummers, nog geen mailadressen. Een gepuzzel van-heb-ik-jou-daar: googelen op naam en vroegere woonplaats, zoeken op social media leverden de eerste resultaten op. En die mensen dan vragen of zij nog contact met anderen hadden. Zo groeide de lijst. Bellen en mailen, met verschillende mensen ontstond meteen een intensieve uitwisseling van herinneringen van vroeger en levensverhalen. We wilden weten hoe het leven was verlopen en hoe wij als ruim zeventigjarigen nog in het leven stonden al dan niet met kwaaltjes. Uiteindelijk hadden we de groep compleet met de wetenschap dat er inmiddels drie personen overleden waren.

Zonder uitzondering was het steeds of je praatte en schreef met de mensen zoals ze vroeger waren. Met dezelfde soort grapjes, dezelfde manier van praten. Misschien is het suggestie, is het inbeelding: je wil graag dat het zo is. Maar wel leuk om te ontdekken dat de meesten graag weer een keer bij elkaar willen komen. Is het nostalgie? Verlangen we terug naar de oude tijd? Is het goed om zo samen de balans op te maken van wat wij wilden in die roemruchte zestiger jaren en wat er uiteindelijk van terecht is gekomen in relaties en werk? Misschien wel.
Er was één klasgenoot die na een leuk gesprek toch zei: “Ik ben niet zo van memory lane. Ik kom niet. Ik wens jullie een fijne bijeenkomst. En doe iedereen de groeten van mij.” Moet toch kunnen?

Wim Moll


We mogen er nog best zijn

Een paar weken geleden las ik het Magazine KBO-PCOB van maart 2018. De cover werd gesierd met een prachtige foto van de kunstenares Ans Markus aan wie ook een interview werd gewijd. Een power-vrouw, die Ans. Al enkele jaren publiceert het ‘Magazine’ een prachtige serie portretten van oudere, enigszins bekende en ook interessante landgenoten. Stuk voor stuk mensen, waarbij je – als je het interview leest en de bijgaande foto’s bekijkt – denkt: zo zou ik ook oud willen worden.

Onlangs is een boek verschenen van de journaliste Barbara van de Beukering met als titel: “Kruip nooit achter de geraniums”. Het is een beschrijving van gesprekken met een twaalftal oudere personen als Hedy d’Ancona, Ans Markus, Gerdi Verbeet e.a. Zij kwam er als 50-jarige achter, dat het leven van deze 70-plussers nog zoveel inhoud heeft, dat zij hen als voorbeelden ziet hoe zij zelf ook oud wil worden. En de fotografe Misja Beijers maakte een tentoonstelling en een boek over ouderen met originele en stijlvolle uitstraling, om te laten zien hoe je óók oud kan worden. Een nieuw fenomeen? De oudere als voorbeeld? Voor jongeren èn ouderen? Een beeld toch zo oud als de wereld. Ouderen werden vroeger in het algemeen gerespecteerd om hun levenswijsheid.

De laatste tientallen jaren worden ouderen vooral gezien als saai, lastig, kosten opdrijvend voor pensioen en zorg enz. Termen als ‘de profiterende babyboomers’ worden veelvuldig gebruikt. Je zou je er bijna voor schamen om oud te zijn. Er werd zelfs geopperd om het woord ‘oudere’ maar te vervangen door het iets neutralere ‘senior’. Oud zijn wordt in die opinie gekoppeld aan verlies, ziek zijn, zorg, het naderende levenseinde. Ook in de hoofden van sommige ouderen zelf, die zich bijna schamen om hulp te vragen, om anderen tot last te zijn.

Als reactie hierop ontstond er een nieuwe visie op ouder zijn. Vooral jongere senioren ontwikkelden een ander beeld van de ouderen. Zij willen beschouwd worden als een zelfbewust persoon, die keuzes wil maken die op hem/haar toegesneden zijn. Die terugkijkend op zijn/haar – vaak werkzame - leven de balans opmaakt. Zich afvragend: hoe hebben mijn werk, mijn relatie(s) mij gevormd tot wie ik nu ben? Waar mag ik trots op zijn? Ben ik in het reine gekomen met fouten en verkeerde keuzes in het verleden, waar moet ik nog aan werken, waar kan ik nog iets in veranderen? Wat zou ik nog willen doen, wat heb ik nog te geven, wat kan ik nog betekenen, kan ik leren ontvangen?

Deze zelfbewuste ouderen worden voor ons een mentor, een wegwijzer, inspiratiebron. Wij senioren kunnen van hen leren, zelf mee een nieuwe visie ontwikkelen. En het helpt als wijzelf lichtende voorbeelden hebben. Mensen als Hedy d’Ancona en Jan Terlouw, over de tachtig, geplaagd door allerlei kwaaltjes, met verdriet over hun overleden partner, maar nog vol plannen en ideeën.

Dus: oud zijn hoeft niet saai te zijn , doe mee en ga de uitdaging aan. Geniet er maar van.

Tip:
Kijk op www.misjab.nl voor het werk van Misja Beijers.
Lees:
- Barbara van de Beukering Kruip nooit achter de geraniums.
- Nynke Frieswijk e.a.          Grip op het leven, genieten van het ouder worden.


Feit of fictie?

Op donderdag 11 januari 2018 las ik in De Gelderlander dat de Amerikaanse president tien dagen vóór hij een jaar in functie is zijn 2000ste(!) leugen heeft verteld. De man die vooral bekend is geworden door de uitdrukking ‘nepnieuws’, het niet al te nauw nemen met de waarheid door overdrijving – the greatest… - of door glasharde ontkenning.

Vanaf de periode van de presidentsverkiezing in de V.S., met de onverwachte opkomst en uiteindelijke verkiezing van Trump, vraag je jezelf af: Waar zit ik nu eigenlijk naar te kijken? En...Wat ik zie: Is dat feit of is het fictie?

Mensen zijn vaak snel geneigd om dingen voor waar aan te nemen. Zeker als zij de boodschapper vertrouwen. Een voorbeeld: de Belgische schrijfster Griet Op de Beeck schreef een aantal romans over getroebleerde familierelaties. In interviews en tijdens lezingen vertelt zij er graag bij dat er zeker autobiografische elementen in verwerkt zijn. Zij is een aangename vertelster, zowel op papier in haar romans als in werkelijkheid. Haar lezerspubliek staat als het ware aan haar kant. Bij het verschijnen van haar laatste roman was er opeens een rel: er was sprake van een incestueuze relatie met haar vader. De discussie was opeens: is dit waar? Haar verklaring, dat zij dit in een hypnose had herbeleefd, werd niet door iedereen geloofd. En toch: haar geloofwaardigheid is nauwelijks aangetast.

De geloofwaardigheid van de boodschapper is een van de belangrijkste elementen in propaganda. Veel wereldmachten lieten en laten vaak niet geheel op waarheid rustende – en voor hun tegenstanders ondermijnende – berichten verspreiden door vertrouwenwekkende figuren in het betreffende land. Zodat je je dus eigenlijk constant moet afvragen: Wat is nu eigenlijk waar? Kan ik dit vertrouwen?

In de V.S. heeft president Trump een vertrouwensprobleem door zijn in onze ogen “vreemde” gedrag. Een artikel in Trouw van 11 januari 2018 kopt zelfs met: ‘Tornado Trump: gekker dan fictie’, naar aanleiding van het verschijnen van het boek Fire and Fury, Inside the Trump White House met ernstige kritiek van mensen binnen het Witte Huis op de president. Waar misschien nog vraagtekens gezet zouden kunnen worden bij de intentie van de schrijver van het boek, waren de reacties van de kringen rond de president schokkend. De bevindingen van de schrijver werden ontkend en belachelijk gemaakt. En meteen werden allerlei personen bereid gevonden hoe “goed” het presidentschap zou zijn.

Communicatiestrategie? Als reactie op het boek werden alle Amerikaanse tv-zenders uitgenodigd om een vergadering van Trump met leden van het Congres over legale en illegale immigratie te coveren. Dit om het boek tegen te spreken over de presidentiële status van de president. De recensies over de uitzending waren allesbehalve goed. Men zag “geen intelligentie”, “de man heeft geen weet van de details van de vraagstukken over immigratie” en “de president neemt vaak tegengestelde standpunten in, en vaak wel in één zin”. De media konden laten zien, dat zij verslag deden op uitdrukkelijk verzoek van de Trump-clan. Dat iedereen kon zien waarover zij berichten, dat de berichten niet gekleurd waren, niet gefaket.

Hoe lang gaat deze situatie nog voortduren? Wanneer zullen wij en het Amerikaanse volk nu eigenlijk eens te weten komen wat feit en fictie is?

Protesteren

Enkele weken geleden was ik met een aantal leeftijdsgenoten te gast in de plaatselijke bibliotheek met onze leesgroep. Onze eigen, nog zelfstandige bieb is pas overgenomen door een regionale bibliotheekinstelling. Er is sprake van een cultuuromslag: de bekende plaatselijke gezichten – professionals én vrijwilligers- zijn grotendeels vervangen door “stadsen”. Een groot deel van de plaatselijke collectie van cd’s, dvd’s en games moet worden verkocht, omdat “het niet meer in het beleid past”, van een uitgebreid programma van activiteiten voor jong en oud is bijna niets overgebleven. Er zijn wel voordelen in de schaalvergroting, maar die telden voor ons even niet. Vooral het gevoel gebrek aan inspraak te kunnen hebben schuurde. Al pratende kwam een gevoel naar boven, dat wij zo goed uit de jaren 60 en 70 kenden. We wilden actie gaan voeren…

We zien hem nog zo staan: Herman Bode, een vakbondsbestuurder van de oude stempel. Zijn uitspraak: “Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam!” staat in ons collectieve geheugen gegrift. En we gingen dan ook! Onze geesten waren al rijp gemaakt tijdens de studentenopstand in Parijs in 1968. In de jaren daarvoor werd naar de mening van gebruikers, cliënten, scholieren, ouders niet gevraagd. Op onze hogescholen en universiteiten moest inspraak komen: studenten wilden meepraten over de inrichting van het onderwijs. Op scholen kwamen ouderraden, die wilden meepraten over leermiddelen, schooltijden en vakanties en nog veel meer, in bedrijven ontstonden ondernemingsraden om mee de praten over lonen, werktijden, bedrijfsstructuren. En toen het meepraten niet tot voldoende resultaten leidde ontstonden er zelfs medezeggenschapsraden.

In het begin brandde nog “het heilig vuur”. We demonstreerden tegen van alles, vooral het establishment, dat van alles wilde tegenhouden. Zelfs in de machtige RK-gemeenschap werd geageerd tegen het celibaat, tegen het verbod op de pil, tegen alles waaruit bleek, dat er niet naar “de mensen geluisterd” werd, dat zelfs gematigde verlangens niet gehonoreerd konden worden. Demonstraties bij de komst van de paus, bij het huwelijk van prinses Beatrix, tegen abortus en voor het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen, tegen de oorlog in Vietnam – we riepen netjes: “Johnson molenaar!” -want “moordenaar’ mocht je niet zeggen van een bevriend staatshoofd - en uiteindelijk tegen de kruisraketten. De tijd van spandoeken, buttons, van lange wilde haren.

Het establishment, dat zijn wij – de ouderen- zelf geworden. Er is veel veranderd, soms ten goede, maar vaak ook niet. Oplossingen voor de problemen van vroeger riepen problemen voor andere groepen op. Regelingen zijn zo ingewikkeld geworden, dat we door de bomen het bos niet meer kunnen zien. En er zijn andere groepen gekomen die tegen de heilige huisjes van nu aanschoppen.

Was in onze tijd een links geluid te horen, nu klinkt steeds meer een rechts geluid. Ook nu zijn mensen ontevreden, maar het is nu anders.

Onze groep besloot toch iets te willen doen: we schreven gezamenlijk een brief om een gesprek aan te vragen om onze wensen kenbaar te maken en ook een verzoek om te komen tot een klantenpanel, waarin geluiden vanuit de basis doorgegeven kunnen worden aan bedrijfsleiding en directie. We waren onze oude vaardigheden nog niet vergeten. En al brandt “het heilig vuur” op de spaarstand: het gaf ons een goed gevoel.

Wim Moll

Zinvol ouder worden

Enkele weken geleden las ik in De Gelderlander over een jonge vrouw, die haar doodswens overwonnen had. Jarenlang leed zij aan ondraaglijke pijnen, was door een eetstoornis ernstig vermagerd en had een afwijking in het autismespectrum. Ten einde raad sprak zij haar doodswens uit bij haar arts. Haar arts ging hierin mee en gaf haar adviezen hoe te handelen. Gesteund door het vertrouwen van haar arts ging zij naar huis. Enkele dagen later besefte zij ten volle waar zij mee bezig was en vroeg zich af of zij wel echt dood wilde. De zon scheen, zij liep in een park, zag mensen aan het hardlopen. Ineens wist zij: “Ik wil niet dood! Ik wil ook hardlopen.” Ondanks haar pijnen en haar eetstoornis ging zij trainen en wist onlangs een hardloopwedstrijd van 10 km tot een goed einde te brengen…

Het bracht mij bij de ‘Voltooid Leven’ en ‘Waardig Levenseinde’ discussie van dit voorjaar. In allerlei media kon je kennis nemen van interessante discussies. Ik voel mij een buitenstaander hierin: ik heb in mijn directe omgeving hierin geen keuzes hoeven te maken of mij van dichtbij bij zo’n beslissing betrokken gevoeld.

Ik kan begrip en respect opbrengen voor beide standpunten. Met betrekking tot de ‘Voltooid Leven discussie’: er zijn -met name veel oudere – mensen die, al dan niet door ernstig lijden, doorgaan met leven niet langer als een optie zien. Soms door eenzaamheid, soms door de angst als dementerende in een mensonterende situatie te belanden, door het gevoel een last te zijn of te worden voor gezin, familie of de samenleving. Die vinden dat de patiënt uiteindelijk hierover zelf kan/wil/mag beslissen. Dat er een ‘recht op zelfbeschikking’ zou moeten zijn.

Aan de andere kant begrijp ik ook mensen die zo ver niet willen gaan, uit religieuze of maatschappelijke motieven, die vinden dat aan nogal wat voorwaarden voldaan moet worden voordat artsen aan een euthanasiewens kunnen meewerken. Dat door middel van palliatieve zorg het lijden verlicht kan worden en zo in veel gevallen meegeholpen wordt aan ‘een zachte dood’.
Er zijn schrijnende gevallen bekend, waarin de dood als een ‘verlossing’ gezien wordt. Waarvan ik denk, dat wanneer het mij of een direct familielid was overkomen, ik tot dezelfde beslissing gekomen was. Aan de andere kant zijn er mensen die in een net iets veranderde situatie opeens ‘het licht weer zien’ en hun doodswens opgeven. Net als bij de jonge vrouw in het voorbeeld. Ook dat beeld kan ik niet van mij af zetten.

De Werkgroep Identiteit en Zingeving van KBO Gelderland wilde inhaken op deze discussie en een studiedag organiseren. Ik ben een van de organisatoren. Bij het zoeken naar een invulling van deze dag kwamen we tot de conclusie dat wij weg wilden blijven van de ‘Voltooid Leven etc.’ discussie. Daar wordt op allerlei niveaus al genoeg over gesproken. We wilden gaan kijken naar een positieve benadering van de levensavond.

Wij kwamen op het spoor van het boek ‘Zin in ouderdom’ van Jan van Baardwijk en René Rosmolen, een boek geschreven voor mensen die hun laatste levensfase bewust willen doorléven en daarin zoeken naar zin en betekenis. Deels door informatie - praktisch en spiritueel - te geven over deze levensfase. Door te kijken door verschillende vensters zoals kunst, filosofie, poëzie en film wordt het rijkgeschakeerde landschap van de ouderdom in beeld gebracht en tot leven gewekt, om talenten bij ouderen aan te spreken waarmee zij het leven (weer) aan kunnen. De auteurs zijn bereid om mee te werken aan deze studiedag.

Onder het thema ‘Gracieus en waardig ouder worden’ organiseert KBO Gelderland op dinsdag 31 oktober een interactieve studiedag. Deze vindt plaats in Zalencentrum ‘de Kolk’, Van der Mondeweg 9-11, 6685 BK Haalderen (vlakbij Bemmel). Aanvang 10.00 uur, afsluiting om 16.00 uur. Kosten € 7,50 voor lunch en consumpties.

In de ochtend is er een interessante lezing, ’s middags twee workshops.
Meer informatie en aanmelden kan via info@kbogelderland.nl of via het telefoonnummer van KBO Gelderland: (0481) 450 252.

Wim Moll


Een brief

De schriftelijke examens zijn weer begonnen. Iedere dag kun je in de kranten lezen wat er geëxamineerd wordt. Bij het vak Nederlands viel mij op ‘het schrijven van een brief’. Ja, het hoort nu eenmaal bij de vaardigheden die je bij het verlaten van de middelbare school moet beheersen: het schrijven van een zakelijke brief.

Met een goede kennis zat ik een paar weken geleden te praten over het schrijven van brieven. Dat was vroeger een moeizame aangelegenheid. Zakelijke brieven werden tot in de jaren tachtig vaak met een typemachine geschreven met één of meer vellen carbonpapier voor de nodige kopietjes. En oh wee, als aan het einde van de pagina een fout werd gemaakt, kon het hele werk opnieuw gedaan worden.

In het onderwijs waar ik werkzaam was, werd in de jaren zestig en zeventig bij een sollicitatiebrief verwacht dat deze handgeschreven was. Je deed er je uiterste best op, want met deze brief maakte je je eerste indruk op de leden van de sollicitatiecommissie. Ik herinner me nog de kramp in mijn handen na het schrijven van de zoveelste brief. Toen ik later – we zijn al in de jaren tachtig beland- als schooldirecteur zelf sollicitanten moest beoordelen, vroegen we nog steeds om een handgeschreven brief, al mocht het cv op een kopie worden bijgeleverd.

Persoonlijke brieven werden als vanzelfsprekend met de hand geschreven. In mijn verkeringstijd schreef ik per week twee tot drie brieven aan mijn geliefde. Soms wel vier kantjes per keer. Mijn vriend deed er in die tijd niet voor onder, volgens eigen zeggen. Maar nu schrijven wij onze brieven bijna niet meer. De vroegere kattenbelletjes zijn de appjes van nu. Ansichtkaarten worden nauwelijks nog verstuurd en zeker niet vol gepend met een vakantieverslagje. Sommigen maken nog een blog met foto’s van hun vakantieavontuur, een enkeling zelfs een vlog met filmpjes. Maar dat is niet persoonlijk voor de lezer/kijker.

Mijn vriend en ik deelden de mening dat in het geval dat we persoonlijk moesten reageren, bijvoorbeeld als een reactie naar nabestaanden bij een sterfgeval, maar ook bij een blijde gebeurtenis, wij in ieder geval wel voor een handgeschreven brief kozen. Op een bepaalde manier geeft het dan zelfs voldoening om zo met de overledene en zijn/haar nabestaanden bezig te zijn of de ouders van de pasgeborene met mooie gedachten en wensen te overstelpen.

Als docent van een schrijfgroep had ik mijn cursisten vorig jaar in de vakantieperiode de opdracht gegeven om elkaar een brief te schrijven: je kreeg een brief en moest die beantwoorden, je schreef een brief aan een andere persoon en kreeg antwoord terug. Sommigen waren zo enthousiast geworden dat er een complete briefwisseling ontstond met een tevreden gevoel aan beide zijden. De brieven waren heel persoonlijk en gingen vaak diep op onderwerpen in.

Eigenlijk jammer, dat er tegenwoordig niet zo veel meer geschreven wordt, dat alles snel moet gaan en oppervlakkig met apps en mails, niet meer die aandacht voor die ene betreffende persoon. Als we nu weer eens meer aan elkaar zouden gaan schrijven. Zou de wereld er dan niet wat vriendelijker uit gaan zien? Ga weer eens schrijven met die nicht in Canada en vergeet die broer in Gouda wiens vrouw vorig jaar is overleden niet. Een stukje persoonlijk contact wordt zeer op prijs gesteld. Het is fijn om te weten dat iemand gedurende een bepaalde tijd met jou alleen is bezig geweest.

Wim Moll

Daar sta je dan…

Daar sta je dan… In de kou, in de steek gelaten. Je zal maar Lodewijk Asscher heten. Ruim vier jaar gelden beloofde je met je nieuwe vriend Mark Rutte een brug te bouwen naar de samenleving. Grootse plannen, maar noodzakelijkerwijs ook grote bezuinigingen. Veel criticasters die op allerlei onderdelen van jullie plannen bezwaar maakten. Gelukkig schoten de vrienden van D’66 en Groen Links af en toe te hulp om verder te kunnen bouwen. En gaandeweg bleek, dat het allemaal zo gek nog niet ging. Er kwamen zelfs complimenten dat jullie zo goed konden samenwerken, dat het zo lekker opschoot, dat het ook financieel steeds beter ging… Toen kwamen de verkiezingen. Vriend Mark had een goed verhaal en werd beloond met een zege. Jouw verhaal werd niet geloofd. Je kreeg een afstraffing en verloor 23 zetels.

Daar sta je dan… In je overhemd met opgestroopte mouwen, in een volle zaal. Duizenden jonge mensen, die je toejuichen. Je bent een jonge god, je fans noemen je zelfs de “Jessias”. Voor hen ben je de belichaming van een nieuw soort politiek. En nu staan ze – VVD, D’66 en CDA -te roepen: Kom op, doe mee.” Wat moet je nou? De macht lonkt. Daar deed je het toch voor? Als je meeregeert, mag je meedoen om het beleid te bepalen. Maar ja, je bent de vierde in de rij. En je hebt pas nog gezien wat er met de Partij van de Arbeid gebeurde. Liters water in de wijn, compromis op compromis, matigheid betrachten in je standpunten om de coalitiegenoot niet te frustreren, fractiediscipline, kleurloosheid. Zou je dat willen? Nog even over nadenken.

Daar sta je dan.. Je bent niet meer zo jong. De mooiste beloften vlogen je om de oren. Pensioenen zouden worden geïndexeerd, achterstanden weggewerkt, de AOW-leeftijd terug naar 65 en voor sommige groepen nog lager. De koopkracht van ouderen wordt verbeterd. Meer geld naar zorg, meer banen, ook voor mensen boven de vijftig. Men zag in dat de groep senioren ontevreden was, zich begon te roeren en dreigde zich af te wenden van de huidige politiek, zich niet meer herkend en erkend voelde. Wat komt ervan terecht? “Veel beloven, weinig geven, doet een gek in vreugde leven”, was dat niet een oude tegelwijsheid? Afwachten maar…

Daar sta je dan.. De Nederlandse kiezer, die een afkeer heeft van populisme. Je leest in de krant: dat de opmars van het populisme tot staan is gebracht. Maar is dat zo? Wilders heeft er vijf zetels bij gekregen, er is een partijtje bij gekomen die hetzelfde rechtse gedachtengoed uitdraagt. Zelfs van oudsher gematigde partijen klinken extremere standpunten met euroscepsis en vreemdelingenvrees, met meer en meer nationalistische trekjes en het spelen met angsten. Zou het goed komen met ons landje? Kan het optimistische elan van D’66 en GroenLinks het tij doen keren? Wint constructieve politiek het van pessimisme?

Het is een beetje tegen mijn natuur, maar ik heb door de ontwikkelingen in de laatste maanden geen vertrouwen gekregen in de vaderlandse politiek. Dat blijkt ook uit het voorgaande. Naar mijn idee wordt het bijna onmogelijk om een goede regering te vormen. Maar niets is onmogelijk. We wachten maar af. In ieder geval hebben wij in Nederland in vrijheid onze stem uit kunnen brengen en kunnen we over vier jaar of minder duidelijk laten blijken dat we wel of niet tevreden zijn over het gevoerde beleid. Zo niet, dan zweven we gewoon weer naar een andere partij.

Wim Moll



Een zilveren stembusakkoord

Even moest ik mijn ogen uitwrijven. Lees ik het nu goed? Het klinkt een beetje oubollig. Het doet je denken aan een bruiloft of zoiets. Dan lees ik dat het om een gezamenlijke actie van KBO-PCOB, Omroep MAX en politieke partij ChristenUnie gaat, die hun plannen voor een toekomstig stembusakkoord ten aanzien van ouderenbeleid naar buiten brengen. Bijna wilde ik boos worden. Wat een cliché: ouderen en grijze haren. Dat zilver is natuurlijk met een knipoog bedoeld, maar toch.

Niet flauw doen, dacht ik, even jezelf over je vooroordelen heen zetten. Dat KBO-PCOB zich in de picture wil plaatsen, dat vind ik goed. Zo’n nieuwe groepering moet zichzelf op de kaart zetten. Met de Tweede Kamerverkiezingen in het vooruitzicht is het van het grootste belang dat je ook naar de politiek wilt uitstralen dat 50-plussers een belangrijk deel van de kiezers zijn. Dat ook met ouderen rekening gehouden moet worden. KBO-PCOB wil een belangenbehartiger zijn van die groep. Prima, zeg ik. Verbreding met andere groepen in de samenleving, lijkt mij ook goed. De keuze voor Omroep MAX is dan ook te billijken. Deze omroep zet zich al jarenlang in om de geluiden van de ouder wordende medemens te laten horen, sociaal, cultureel en politiek. Een gedeeld doelgroepenbeleid zou je kunnen zeggen. Alleen de keuze voor de ChristenUnie als politieke partij als ‘partner in crime’ vind ik vreemd. Een partij als 50-plus was een logische keuze, vind ik, wat je er ook van denkt. Beter had ik gevonden: trek het breder en laat de woordvoerders van zoveel mogelijk andere partijen dit manifest ook ondertekenen. Want het is de bedoeling dat een nieuw kabinet, van welke samenstelling dan ook, zoveel mogelijk van de actiepunten gaat overnemen en wil omzetten in beleid.

Toch maar naar de inhoudelijke onderbouwing gekeken. Gelukkig gaat het om meer dan pensioenen en AOW-leeftijd. In het manifest wordt daar niet eens over gesproken. Voor velen een belangrijk onderwerp, maar er is meer. Er wordt waardering gevraagd voor al die mensen in mantelzorg en vrijwilligerswerk, er wordt aandacht gevraagd voor eenzamen en andere kwetsbaren in onze samenleving. Er worden standpunten ingenomen over de ‘Voltooid Leven’-discussie. Uit het manifest ‘Scherp op Ouderenzorg” van Hugo Borst wordt geput om verbeteringen in de ouderenzorg te bepleiten. Er wordt gevraagd om experimenten met andere woonvormen.

Ik vond het een goed stuk en zou iedereen willen oproepen om in de komende maanden verkiezingsbijeenkomsten te bezoeken en de partijen over hun standpunten in deze te bevragen, geen genoegen nemen met ontwijkende verklaringen, maar vragen om actie. Als er iets moois uit voortkomt, dan mag het van mij gerust ‘een zilveren stembusakkoord’ genoemd worden.

De “eisen” in het kort:

1. Stel een coördinerend minister voor ouderenbeleid aan.
2. Werk aan acceptatie en waardering van ouderdom.
3. Zet alles op alles om eenzaamheid bij ouderen te voorkomen.
4. Stimuleer mantelzorg.
5. Maak vrijwilligerswerk aantrekkelijk.
6. Laat jongeren vrijwilligerswerk doen in de ouderenzorg.
7. Stimuleer initiatieven waar ouderen elkaar kunnen ontmoeten.
8. Maak ruimte voor passende woonvormen.
9. Investeer in passende en palliatieve zorg.
10. Investeer in levensbegeleiders.


Wim Moll

“Wachten op God vind ik zonde van mijn tijd”

Dit was de titel van een advertentie van de NVVE in diverse landelijke dagbladen. Dagblad TROUW wijzigde de tekst van deze advertentie. Deze titel zou voor sommige lezers erg kwetsend kunnen zijn. De advertentie was bedoeld om te prikkelen, om de discussie over het onderwerp euthanasie op gang te brengen en met name het aspect van eigen regie.

Die discussie vind ik heel belangrijk. Het is een complexe materie die ons allen zeer aangaat, oud en jong. Fundamentele principes over leven en dood zijn hier aan de orde, die ons tot nadenken zetten. Een concrete aanleiding: Minister Schippers formuleerde enkele weken geleden een beleidsstuk over stervenshulp bij niet-medisch ondraaglijk lijden. Deze nota kwam onverwacht , omdat kort daarvoor het rapport van de commissie Schnabel al uitgebreid besproken was. De stelling van deze commissie dat de huidige wetgeving voldoende houvast bood, werd algemeen onderschreven. Ook door de minister zelf. En toch vond zij het – samen met collega Van der Steur van Justitie - noodzakelijk om een aanvullend wetsontwerp voor te bereiden, waarmee de discussie weer oprakelde. Sommigen vonden dat het voorstel van minister Schippers zich te veel neerlegde bij de verdrietige, negatieve instelling van een groep ouderen. Dus eigenlijk weinig echt oog heeft voor de oudere medemens en zijn/haar noden. Anderen zagen het als een erkenning van het lijden.

Ik wil hieronder even een paar dingen op een rijtje zetten. En de vraag stellen: wat kunnen maatschappelijke organisaties in deze discussie betekenen?

Euthanasie ten gevolge van ondraaglijk medisch lijden is de laatste jaren minder een taboe. Wij met zijn allen praten er in het algemeen makkelijker over. Velen hebben ook voor zichzelf een beeld geschapen hoe zij hun levenseinde willen zien. We praten meer en meer met onze (klein-)kinderen over onze wensen rond ons overlijden. Over mogelijk lijden aan een ernstige of afschrikwekkende ziekte (Alzheimer), het stervensproces, wensen rond de begrafenis of crematie en testamenten. Dat is goed. Het gebeurt nog maar al te vaak, dat kinderen geconfronteerd worden met de doodswens van hun ouder(s), daar niet op voorbereid zijn, en het daarom geen plaats kunnen geven.

Steeds weer komen er artikelen in de krant die je aan het nadenken zetten. Ik noem bij voorbeeld de duo-euthanasie van een oud-CDA-kamerlid en zijn vrouw. Voorstanders van een zelfgekozen dood schreven dat zij verheugd waren dat deze mensen helemaal de regie in handen hadden genomen. Anderen zetten kanttekeningen: was het leven voor beide personen ondraaglijk lijden geworden of was het slechts voor één van beiden en zou de ander naar een verpleeghuis moeten, omdat hij/zij niet meer goed verzorgd kon worden en teveel afhankelijk zou worden van anderen? Was er sprake van een vrije wil?
Het zou kunnen zijn dat de ene partner wel euthanasie wil, maar de andere (nog) niet en besluit uit een soort van loyaliteit in te stemmen. Angstige gedachten! We weten nog niet hoe vaak deze situatie voorkomt. Duo-euthanasieverzoeken moeten door verschillende artsen getoetst worden. Zijn zij voldoende in staat om tot een over all inzicht of oordeel over deze situatie van betrokkenen te komen?

Psychiater Chabot zette kritische kanttekeningen bij goede beoordeling door een arts verbonden aan bijvoorbeeld de Levenseinde Kliniek. Een dergelijke arts kent betrokkene te weinig en heeft geen relatie met de patiënt. Chabot is het wel eens met een mogelijkheid tot euthanasie bij een persoon die zwaar psychisch lijden ervaart. Hij is daar in het verleden vanwege zijn actieve medewerking hieraan veroordeeld. Toch bepleit hij een grote mate van zorgvuldigheid, en daarin ben ik zeer met hem eens.
Sinds het invoeren van de euthanasiewet is het aantal personen dat hiertoe zijn toevlucht neemt enorm gestegen. Daaronder zijn veel mensen die niet terminaal ziek zijn, maar die niet verder willen leven, omdat zij hun leven als voltooid of uitzichtloos zien. Er is meer aandacht voor de sociaal-maatschappelijke kant van het ouder worden. Meer onderzoek is gedaan naar de positie en levenssituatie van ouderen. Desondanks voelen veel ouderen zich uitgerangeerd, overbodig, niet meer van waarde voor hun omgeving.

Diverse onderzoeken bepleiten dan ook om met ouderen in gesprek te gaan over de zin van het leven op latere leeftijd, hoe je met (klein-)kinderen hierover kunt praten, hoe je de nabije toekomst op een voor jou zo aantrekkelijk mogelijke manier kunt inrichten, wat je kunt doen om de eenzaamheid te doorbreken, hoe je ethisch goede keuzes rond het levenseinde kunt maken.
Voor ouderenbonden zoals Unie KBO ligt hierin een taak om dat te organiseren. Denkt u mee?

Wim Moll

Ik zag het meisje in haar

Ik keek naar het programma ‘Zomergasten’ van de VPRO. De zomergast was Hedy D’Ancona (1937). Voor velen, vooral wij senioren, bekend als feministe, hoofdredacteur van Opzij, kamerlid, minister en staatssecretaris, Europarlementariër.

Het was een interessant gesprek dat gelardeerd met filmpjes een beeld gaf van de mens Hedy D’Ancona en haar ideeën. Hilarisch o.a. was het filmpje van de Tegenpartij van het Simplistisch Verbond (Van Kooten en De Bie) uit de jaren 70, waarin z.g. thuislanden waren gecreëerd voor alle ‘vreemdelingen’ in ons land. Actueel ook, want: hoe kijken we nu tegen ‘buitenlanders’ aan en hoe laten we ons beïnvloeden door lieden die zo maar wat roepen?

Maar daar gaat het mij niet om. Tegen het einde van het programma was er een onderdeel met een filmpje waarin haar partner, de kunstenaar Aat Velthoen figureerde. Eerst als jongeman, toen als tachtiger. Zij vond het tweede filmpje zo leuk, omdat zij in de oudere man, terwijl hij vertelde, de jongen van vroeger herkende.
En terwijl ik keek, was het ook of haar trekken veranderden. Een groot deel van de avond had ik toch tegen een oudere vrouw aan zitten kijken. Verzorgd uiterlijk, naar de kapper geweest, maar de gelaatsuitdrukking vertoonde toch overduidelijk “de tand des tijds”. Als zij echter sprak over onderwerpen die haar na aan het hart gingen, dan zag je haar trekken veranderen. Je zag als het ware een jongere persoon.

Nu hebben wij het allemaal nog wel. We voelen ons jonger dan we in werkelijkheid zijn. Ondanks de eventuele lichamelijke beperkingen is onze geest van een andere leeftijd. En hoewel we door de tijd ‘ouder en wijzer’ geworden zijn, kunnen we nog steeds gepassioneerd reageren op zaken waar we ons veertig tot vijftig jaar geleden ook druk over maakten. Over grote verschillen tussen rijk en arm, over eindeloos durende conflicten, over kinderen die reeds op jonge leeftijd de in onze ogen verkeerde kant op dreigen te gaan.

En dan zie ik ook bij die ouderen het gezicht veranderen. Dan zie je ook bij hen de jongere vrouw of man weer terug die ten strijde trokken tegen ongelijkheid tussen man en vrouw. Die hun kinderen meer kansen wilden bieden dan die zij zelf hadden gekregen. Die opkwamen tegen misstanden in de kerk en zich inzetten om veranderingen te bewerkstelligen. Die een gebroken geweertje droegen, die de atoombommen uit Nederland wilden. In hun hart hebben zij daar nog steeds geen afstand van genomen. Als je die gevoelige snaar weet te raken, dan staan zij er weer. Praat je met hen, dan hoor je weer die krachtige stem van vroeger, dan komen de gebaren weer terug en hun gezichten beginnen weer te stralen.

Dat zag ik op die avond bij Hedy, dat zag ik meer dan een jaar geleden bij de vader van staatssecretaris Van Rijn die opkwam voor misstanden in een verpleeghuis, dat zie ik soms bij ouderenadviseurs die opkomen voor problemen van ouderen, bij kunstenaars die op hoge leeftijd nog optreden, bij veel mensen die nog midden in het leven staan. Ik hoop dat nog lang te mogen zien.


Wim Moll

Ouderen willen verrijking

Een spannende titel, dacht ik. Ik zie de reactie op de Social Media al tegemoet. Trending topic op Twitter: ‘Daar zijn ze weer die babyboomers. Ze hebben het al zo goed. Beginnen ze weer over hun pensioenen en hun zorgkosten.’ En ook op Facebook zal het wel barsten van de veelal negatieve reacties. Kunnen ze zich weer uitleven…

Het bovenstaande is vooral grappig bedoeld. Op zich al de moeite waard om eens een column aan te wijden. Maar dat is deze keer niet aan de orde. Nee, ik werd onlangs getroffen door een artikel in ‘TROUW’ (Zaterdag 4 juni: De Verdieping blz. 16 en 17). Het ging over de inzet van vrijwilligers bij wetenschappelijk onderzoek. Het inzetten van vrijwilligers bij wetenschappelijk projecten wordt ook wel ‘citizen science’ (burgerwetenschap) genoemd, zoals het tellen van vogels of het meten van luchtverontreiniging.

In het artikel ging het over ca. vijfhonderd oudere vrijwilligers die gegevens van het trouwarchief van Amsterdam uit de periode 1580-1811 in een database moesten invoeren. De deelnemers werden goed voorbereid door middel van lezingen. Vooraf werd getwijfeld of het haalbaar voor de vrijwilligers zou zijn om de meer dan zeventig informatievelden uit de ondertrouwarchieven te laten invullen. Maar wat bleek: hoe moelijker leesbaar de akten waren, des te leuker de vrijwilligers het vonden. En toen het op het bepalen van een beloning aankwam, wilden de deelnemers in plaats van cadeautjes – boeken, bloemetje, flesje wijn – kennis vergaren. Er werden extra lezingen en excursies georganiseerd. Het gaf een extra motivatie en uiteindelijk veel voldoening.

Hierop doordenkend dacht ik aan het project van KBO Gelderland : Jonge Senioren, je ziet het pas als je het doorhebt. Het achterliggende idee is, dat een ouderenorganisatie als de KBO aantrekkelijk moet zijn voor ook de jongere senior, liever hierna genoemd de 50-plusser. De aangeboden activiteiten zullen uit moeten gaan van een veranderd beeld van de oudere persoon, nl. dat hij/zij :
• Een product is van een individualistische maatschappij en vooral zelf wil bepalen hoe zijn/haar leven eruit gaat zien.
• Actief is en alles aan een rendement wil koppelen. Hij/zij wil collectief dingen doen, maar er zelf iets van leren en vinden.
• Doorgaans goed opgeleid is,
• Nog sportief is en bezig met zijn/haar gezondheid.
• Vooruit wil, zich wil verdiepen in vraagstukken, zich wil ontwikkelen en bekwamen.
• Niet alleen dingen “voor de gezelligheid wil doen”.

Bovenstaande beweringen zijn geput uit statisch onderzoek. De afdelingen worden gestimuleerd om na te denken over hun beleid ten aanzien van een vernieuwend aanbod om daarmee de vereniging te versterken. Ideeën te over: hoorcolleges op wetenschappelijk niveau, museumbezoek, kunstcursussen, stadswandelingen met gids enzovoort. In verschillende – succesvolle, met een groot ledental – is dit reeds ten uitvoer gebracht. Andere willen volgen.

Het gaat ons als ouderen dus niet alleen om goede pensioenen en al dan niet langer moeten werken, maar vooral ook hoe we zo lang mogelijk zinvol kunnen leven. Een andere vorm van verrijking dus. En als 50-plusser geven we zelf duidelijk aan wat en hoe wij dingen zouden willen. Om in moderne reclametermen te blijven: KBO/PCOB denkt met u mee.
Wim Moll

Voor meer informatie over ‘citizen science’: www.iedereenwetenschapper.be

Over
het ondertrouwproject: www.collective-action.info/ja-ik-wil
Over het Jonge Seniorenproject: info@kbogelderland.nl
Voor meer statistische gegevens over babyboomers: www.route50plus.nl/feiten-cijfers


Jong en oud, samen goud

Woensdag 20 april, zaal Wieleman, Westervoort. Een soort Lagerhuisdebat als middagprogramma van de Algemene Vergadering van KBO Gelderland. Een gespreksleider, twee jongeren, vier ouderen en aan beide kanten publiek dat actief betrokken wilde zijn. Het onderwerp van de discussie: het project ‘Samen-Wel-Zijn’ van HOPE XXL Liemers: willen we dit als KBO Gelderland mee vorm gaan geven?

Het concept van het project is: Jongeren van de scholen worden individueel of in tweetallen gekoppeld aan een oudere of een ouder stel. Ze gaan minimaal een keer in de week een bezoek brengen en hebben een klein budget te besteden om het bezoek op te fleuren voor een cake, bosje bloemen o.i.d. Bij het bezoek kan men bijvoorbeeld gaan Skypen met familie van de betreffende oudere, spelletjes doen, kletsen, of hand- en spandiensten. En aan de andere kant kan de jongere de oudere ergens mee naar toe nemen in zijn/haar dagelijkse bezigheden of bijvoorbeeld een bioscoop bezoek. Met als doel: het contact tussen jong en oud te bevorderen. Jong leert van oud en oud leert van jong.

Een van de jongeren vertelde over hoe hij genoten had van de verhalen van zijn grootvader over de maanlanding in 1969 de Val van de Berlijnse Muur, hoe recente geschiedenis een menselijke inkleuring had gekregen, waardoor hij er een andere kijk op had gekregen.

De meeste aanwezigen stonden positief tegenover het idee om ouderen op een structurele manier in contact te brengen met jongeren. Als reden werd genoemd het kweken van wederzijds begrip – we hebben soms best wat vooroordelen over elkaar – maar ook ter voorkoming van eenzaamheid onder ouderen. Het doorgeven van ervaringen, het vertellen van verhalen, het delen van de levenswijsheid is van grote betekenis in het leven van de opgroeiende jeugd. Het jeugdige enthousiasme, de snelheid, de frisse kijk van de jongeren houdt de ouderen “bij de tijd”. De bijdragen van jong en oud werden beide als positief en verrijkend ervaren.

De meeste aanwezigen zagen meer mogelijkheden dan hindernissen. Aan het bestuur van KBO Gelderland werd de opdracht meegeven om de uitwerking van dit project te ondersteunen en de ervaringen te delen met de afdelingen om het idee zodoende te helpen verder uit te dragen. Gedacht werd zelfs om de VOA’s (vrijwillige ouderenadviseurs) hierin te betrekken: zij kennen de situatie van ouderen en zijn ook op de hoogte van de inzet van jongeren in hun dorp, wijk of stad.

Het project hoeft bijna geen geld te kosten, een soort startsubsidie om de boel aan de gang te krijgen lijkt voldoende. Scholen kunnen het inzetten als een soort maatschappelijke stage. Ouderenbonden en gemeenten leveren de adressen aan van senioren die dit plan wel zien zitten.

Overal in het land zijn projecten waarin het samen optrekken van jongeren en ouderen wordt gepropageerd. Een mooi voorbeeld vind ik goedkope studentenhuisvesting in een verzorgingshuis, waarbij de studenten als tegenprestatie hand- en spandiensten verrichten. Of “ouderenstudent”: studenten helpen ouderen op allerlei terrein, van juridische adviezen tot computerhulp. En ook zijn er projecten, waarbij studenten en scholieren kranten, tijdschriften en/of boeken voorlezen. Er leeft dus van alles op dit gebied.

De ondersteunende stichting HOPE XXL “streeft naar een wereld waarin iedereen zijn/haar leven als ‘goed’ waardeert, met een acht of hoger”. Zeker drie kwart van de aanwezigen waardeerde zijn/haar leven zo.
We gunnen dit andere senioren ook!

Wim Moll
Voor meer informatie:
www.hope-xxl.com  
Of mail: info@hope-xxl.com  


De doodswensfilm en het euthanasiedebat.

Op maandag 15 februari vertoonde de NTR op NPO 2 een documentaire over de Levenseindekliniek. Ik ben zeer geïnteresseerd in het onderwerp euthanasie en wilde deze dan ook graag zien.

Als kijker was ik o.a. getuige van het sterven van een oudere dame. Je zag haar op een stoel in haar huiskamer, haar man zat naast haar. Tegenover het echtpaar de arts, die haar de dodelijke injectie toedient. Zij lijkt moeiteloos in een slaap te vallen, haar lichaamskleur verbleekt en na enige tijd wordt geconstateerd dat zij daadwerkelijk overleden is.

Menigeen zal er enigszins beschroomd naar gekeken hebben. Getuige te zijn van het sterven van een ander - een van de intiemste momenten uit een mensenleven - zet je sowieso al aan het denken over de zin van het leven. Maar hier betrof het een licht dementerende vrouw, die je kort ervoor nog zag rijden in haar autootje, die nog eens dansje maakte, die haar doodswens “hupsakee” noemde, die uit het leven stapte. Waarschijnlijk hebben de documentairemakers de achtergronden voor haar doodswens onvoldoende in beeld gebracht, zodat je als kijker met de vraag blijft zitten: moeten we hier naar toe?

Er was ook een film over een vrouw die haar zoon verloren had en voor wie het leven geen zin meer had. Een geval van schrijnende eenzaamheid. We zouden het gesprek over levensmoeheid moeten aangaan. En wat is lijden? Het gezegde luidt niet voor niets: “Een mens lijdt nog het meest, onder het lijden dat hij vreest.” Je kunt eronder lijden, dat je simpele dingen niet meer kunt, onder het besef dat het alsmaar erger wordt.

Een vriend van mij heeft ALS. Ook hij zei – in het beginstadium van zijn ziekte- “als ik dat en dat niet meer kan, dan hoeft het van mij niet meer.” Maar steeds verlegde hij zijn grenzen, accepteerde hulp bij de meeste dingen die hij nog wil doen en geniet ondanks alles van het leven.

Het is inmiddels een maatschappelijk geaccepteerd gegeven dat een mens aan het eind van zijn/haar leven niet onnodig hoeft te lijden. In gevallen van ernstig en uitzichtloos lijden – veel pijn, benauwdheid – vindt vaak palliatieve sedatie plaats waardoor de patiënt langzaam uit het leven wegglijdt. Maar voor gevallen waarin de zieke minder aantoonbaar lijdt, ligt het moeilijker. En de felheid waarmee de NVVE soms “de rechten’’ bepleit voor mensen om hun eigen levenseinde te kiezen stuit menigeen tegen de borst en zorgt niet altijd voor een gezonde gedachtenuitwisseling over dit onderwerp.

En dat is zeer gewenst.

(423)

Wim Moll



Mijn vluchteling

Ik zag hem aan komen sloffen. Een goede kennis van me. Hij wenkte mij. Hij wilde mij overduidelijk spreken. Ik stak de straat over en hoorde hem aan. “Weet je dat er wel drie Syrische gezinnen in mijn straat komen wonen? Drie huizen, die niet aan Nederlandse gezinnen verhuurd kunnen worden! Mijn zoon staat al heel lang ingeschreven als woningzoekende en krijgt niets aangeboden. Wat een beleid van de gemeente! Ik ga niet meer stemmen, er wordt toch niet naar ons soort mensen geluisterd!”

Zo ging het maar door. Over onrechtvaardigheid, over verloedering van zijn buurt, over vrouwen en kinderen die niet meer veilig waren in zijn omgeving. Ik liet hem maar razen. Eindelijk kreeg ik de kans om wat te zeggen. Ik vroeg hem of hij ook enig begrip op kon brengen voor de vluchtelingen, die nu ook ons land nu overspoelden. Hij vond het gelukzoekers, die een beter leven wilden in ons luilekkerlandje. Ik vertelde hem van kampen in Libanon en Jordanië, waar duizenden al jaren wachtten op het beëindigen van de burgeroorlog. Vaak in barre omstandigheden. Als enige beschutting een tent, voor voeding afhankelijk van hulporganisaties . Armoede, uitzichtloosheid, niet mogen werken, kinderen in overvolle noodscholen. Ik vroeg hem: “Wat zou jij doen, Jan, in die omstandigheden?” Hij keek mij verbaasd aan. Zo had hij het nog niet bekeken.

Gisteren zag ik hem weer lopen. Hij begon te vertellen over ‘dat Syrische gezin in dat huis met die schotelantenne. Je weet wel.’ Hij had een praatje gemaakt met de man, in gebroken Engels. Hij was binnen gevraagd voor een kop koffie. Aardige mensen, het huis was nog wat kaal, maar hij had aangeboden om eens mee te gaan naar de kringloopwinkel. Moest jij ook maar eens doen, zei hij. Met opgewekte pas vervolgde hij zijn weg.


Wim Moll



Een stille kracht

In een uitzending van Opium (NPO 2, 8 oktober) besprak de schrijver/filosoof Bas Heijne een try-out van het toneelstuk “De Stille Kracht”, naar de roman van Louis Couperus. Het betrof een eigentijdse bewerking van de regisseur Ivo van Hove. Niet het Tempo Doeloe-gevoel zoals destijds in de tv-serie. Het ging om de moderne mens, die krampachtig probeert vast te houden aan “oude waarden”, maar er zijn stille krachten aan het werk die alle pogingen proberen te ondermijnen, kortom wat je ook probeert: ontwikkelingen zijn niet tegen te houden. Vrij vertaald door ondergetekende.

Terwijl ik het programma nog aan het bekijken was, schoten mij een aantal actuele beelden te binnen. De oproep van kamerlid Wilders aan Nederlandse burgers om in verzet te komen tegen de tsunami van vluchtelingen, de verstoorde raadsvergadering in Purmerend, de vluchtende staatssecretaris in Oranje en een spandoek boven de A12. En de volgende avond: gemaskerde, zwartgeklede mannen in Woerden, die een tot opvangcentrum gebruikte sportzaal aanvielen met vuurwerkbommen en rotte tomaten. In Utrecht vervolgens een demonstratie van de Nederlandse tak van PEGIDA (Patriottische Europeer Gegen Islamisering des Abendlandes), die ook uit de hand liep.

Aan de andere kant beelden van mensen met borden waarop “Refugees are welcome” geschreven stond en drommen vrijwilligers voor het uitdelen van voedsel en kleding, en van mensen die zelfs woonruimte aanboden in hun eigen huis. De massale verontwaardiging op Social Media bij de foto van het verdronken jongetje in Griekenland.

Beide groepen reageren uit een soort van angst. De ene groep vanwege de vermoede teloorgang van onze cultuur, van wat onze vrouwen en kinderen zou kunnen overkomen. De media werken daar soms ook hevig in mee. Ik las in een column van Ephimenco in TROUW (8 oktober) een citaat uit een toespraak van President Erdogan van Turkije uit 1998 waarin hij zei: “Democratie is slechts de trein die wij nemen totdat wij op onze bestemming zijn aangekomen. Minaretten zijn onze bajonetten, koepels onze helmen, moskeeën onze kazernes en gelovigen onze soldaten.” Daar word je niet vrolijk van, en zet je wel aan het denken.

Aan de andere kant zijn er de mensen die angst hebben, dat net als in de eerste helft van de vorige eeuw bepaalde groepen van mensen, soms hele volken tot zondebok zullen worden verklaard met alle desastreuze gevolgen van dien. Die zien in bepaalde uitspraken van hun tegenstanders volksmennerij en de mensen die deze leiders bewieroken worden betiteld als racisten of nog erger. Die hebben beelden van concentratiekampen en massavernietiging, wat zij ten koste van alles willen voorkomen.

Ondanks het roepen en het ijveren van beide groepen wordt de situatie in de wereld zo langzamerhand onbeheersbaar. En waar het naar toe gaat, dat weten we niet. De krachten die werken hebben wij niet onder controle. Zij werken wel, maar waar het zal uitkomen, dat weten we niet. Enige jaren geleden tijdens de Arabische lente was er een gevoel, dat we uiteindelijk een betere wereld zouden krijgen, waarin mensen in vrijheid konden leven, waar democratie heerste, waarin plaats was voor verschillende geloofsopvattingen naast elkaar. Nu zijn we bevreesd voor het uitbreken van steeds nieuwe conflicten tussen landen en religies.

Misschien is over een jaar of tien duidelijk in welke richting de krachten zich onderhuids bewogen hebben, in stilte. Dan kunnen we achteraf ook bezien hoe onze keuzes van nu waren, goed of verkeerd. Voor Nederland kunnen we alleen maar hopen dat “we” ondanks onze meningsverschillen met elkaar in gesprek blijven en dat het “gezonde verstand” uiteindelijk zal zegevieren.

Wim Moll


Beelden van een naderend levenseinde

De zaal was al goed vol, toen ik binnen kwam. Er waren veel belangstellenden voor de informatieavond over palliatieve zorg die door onze afdeling van de KBO was georganiseerd. Als bestuurslid belast met zingeving had ik mijn steentje ook bijgedragen in de organisatie. In het gedeelte voor de pauze vertelde een huisarts over de vele mogelijkheden om het lijden van stervenden te verzachten, zowel thuis als in een ziekenhuis of in een hospice. Ademloos werd geluisterd, alsof men de informatie wilde ‘opslurpen’. Na de pauze was er gelegenheid tot het stellen van vragen. Op de manier waarop de vragen gesteld werden, bleek dat veel mensen reageerden vanuit hun eigen beleving van dit onderwerp. Ik betrapte mijzelf er ook op, dat ik twee beelden niet uit mijn hoofd kon krijgen.

Het is al bijna twintig jaar geleden, maar ik zie hem nog zo, mijn vader. Een forse man, ondernemend, graag onder de mensen, hij hield van debatteren. En nu lag hij daar, in het ziekenhuis, piepende apparaten, allemaal slangetjes, half bij bewustzijn. Soms sloeg hij zijn ogen op, het leek of hij blij was iemand te zien. Dan vielen ze weer dicht. Volgens de verpleging had hij veel pijn. Opeens riep hij: “Neem mij mee naar huis!” Voor ik iets terug kon stamelen, viel hij al weer weg. Een paar dagen later stierf hij, alleen.

Mijn schoonmoeder was zorgzaam, hield van gezelligheid, had graag haar kinderen en kleinkinderen om zich heen. Rond haar zeventigste begon zij wat verward te doen, was zelfs in huis de weg kwijt. In het ziekenhuis werd Alzheimer geconstateerd. Op een soort glijdende schaal verliep het proces van kwaad tot erger. Begroette haar dochters eerst nog met “Dag mevrouw”, maar na verloop van tijd was een gesprek niet meer mogelijk. Op het laatst kon zij zelfs niet meer haar eten en drinken wegslikken, werd incontinent. Ook zij stierf alleen, na een korte periode in een verpleeghuis. Als familie denk je dan: “Dat nooit meer.”

Als je luisterde naar de vragen, die werden gesteld, dan kon je invullen dat veel mensen met zulke ervaringen worstelden. Een ellendig levenseinde is een afschrikwekkend beeld, dat wens je jezelf of je naasten niet toe. Sommige vragen gingen zelfs in de richting van euthanasie. De arts ontweek deze vragen, benadrukte vooral de mogelijkheden van de palliatieve zorg, waarbij het lijden voor de patiënt zo goed mogelijk wordt verzacht. Een enkeling probeerde toch nog door te gaan, gaf voorbeelden, voelde hoe de zaal meeleefde en vroeg daarop een reactie van de arts. Ook nu vertelde de arts, dat hij alle begrip had voor de vraag, maar dat de avond niet bedoeld was om vragen over euthanasie te beantwoorden.

Opeens stond een man op en vroeg het woord. Hij verklaarde vanuit zijn geloof heel veel moeite te hebben met die vragen over actieve levensbeëindiging en zelfs met de palliatieve zorg. “De mens moest niet willen ingrijpen. Het lijden van de mens was een onderdeel van het plan dat God met de mens voorhad. Lijden hoort bij het leven.” En meer van dat soort zinnen. Ook dat is een beeld, natuurlijk. Ik heb nog wel eens een kerkelijke hulpverlener gesproken die zich ongelukkig voelde omdat vlak na het toedienen van het laatste sacrament al de levensbeëindigende handelingen zouden plaatsvinden.

De arts reageerde netjes en begripvol voor de geloofstandpunten van de man. Als arts verlichtte hij alleen de pijn van de patiënt, greep verder niet in. Maar de man bleef aandringen, wilde op een bepaalde manier zijn gelijk halen, wat hij niet kreeg. De sfeer in de zaal raakte zelfs een beetje gespannen. Gelukkig kapte de arts de discussie af. Er bleef nog even een vreemde sfeer in de zaal hangen. Zo van: “Daar willen we eigenlijk niet over praten.” Met nog wat tips voor interessante literatuur over palliatieve zorg en euthanasie werd de avond besloten.

De meeste mensen verlieten de zaal. Als bestuur moet je je ook even bezig houden met wat organisatorische zaken zoals het ophalen van kopjes en het verzamelen van de papieren die op de tafels hadden gelegen om schriftelijke vragen in te dienen. Opeens zag ik een vriend, hij heeft een ongeneeslijke spierziekte, en iedere keer als ik hem zie, gaat het slechter met hem. Hij had de avond ook bijgewoond. Ik ging even bij hem zitten. We praatten nog wat na. Hij vertelde mij hoe hij de avond had beleefd, hoe hij steeds zijn grenzen had verlegd. Net als veel mensen had hij vroeger gedacht: “Als ik niet meer zelfstandig kan …, dan hoeft het van mij niet meer.” In zijn werkzame leven was hij verkoopdirecteur geweest en later voorzitter van verschillende verenigingen. Vol ideeën en veel energie om van alles te ondernemen. Het niet meer kunnen autorijden, fietsen en wandelen was nog tot daar aan toe. Maar het aan- en uitgekleed moeten worden was andere koek, maar op dat moment kon hij met aangepaste hulpmiddelen nog zelf eten. Dat was fijn. Een paar weken later kon dat ook niet meer. Maar zijn kleinkinderen vonden het prachtig om hun opa te voeren. Hij ervoer dat als een groot geluk en het hielp hem dat ongemak te dragen. Hij kan nu niet meer typen op zijn laptop, maar krijgt binnenkort een computer à la Hawkins, zodat hij met zijn ogen toch nog kan communiceren met de buitenwereld. “Zo gauw geef ik het niet op” zei hij. “Het kan altijd nog erger. En als het zover is, zien we wel weer wat er dan nog kan.” Ik pakte zijn hand, wreef erover en zei, dat ik trots op hem was.

En stilletjes hoop ik dat ik aan het eind van mijn leven ook zo kan reageren.

Wim Moll


Vrijwilliger gezocht

Een paar dagen geleden parkeerde ik mijn fiets bij ons wijkcentrum voor een vergadering van de ouderenbond. Ik liep naar de ingang. Op dat moment kwam hij nar buiten, Johan. Ik kende hem van een kerkelijke werkgroep, waarmee hij onlangs gestopt was . ”Met 80 jaar is het tijd om het stokje aan de jongere generatie over te dragen”, had hij bij zijn afscheid gezegd. De werkgroep had voor hem (nog) geen vervanger gevonden. We misten hem wel als stille kracht, die altijd voor de notulen zorgde, goede contacten had in ons dorp, maar we konden ons redden zonder hem.

Zijn gezicht stond somber. Ik had nog even de tijd, dus vroeg ik of er iets met hem aan de hand was. Hij keek mij verbaasd aan. Zijn blik die eerst gespannen was, kreeg een kalmere uitstraling. Hij ging er even voor staan en begon te vertellen. Het ging over een groep ziekenbezoekers, waar hij deel van uitmaakte. Ook daar had hij zich vanwege zijn leeftijd terug willen trekken, maar het lukte niet om een vervanger voor hem te vinden. Dus hadden ze toch een beroep op hem gedaan om door te gaan. Hij wilde de groep en de zieken niet in de steek laten, maar hij voelde dat hij eigenlijk overvraagd was. Het werd hem te veel. Hoe kon dat nou toch? Hoe kwam hij hier uit?

Tussen ons ontwikkelde zich een gesprek over vrijwilligers. Overheden van hoog tot laag bezuinigen steeds meer, voor steeds meer taken worden vrijwilligers gevraagd: in de zorg nog het meest. Vrijwilligers voor de dagbesteding, voor het rondbrengen van maaltijden, voor vervoer naar en van het ziekenhuis, voor mantelzorg, voor klussen, voor schuldsanering, voor hulp bij het invullen van de belasting, voor klussen in en om het huis en ga zo maar door. Je kunt bijna geen terrein noemen of er wordt gepraat over de inzet van vrijwilligers om toch diensten aan te kunnen bieden.

Vaak gaat dit ten koste van het inzetten van professionals. Die hadden er meestal een gedegen opleiding voor moeten volgen. En nu wordt het overgelaten aan goedwillende amateurs, die niet zijn opgeleid om het werk te doen wat van hen gevraagd wordt. Het niveau van de hulpverlening is in gevaar. Vrijwilligerswerk is niet vrijblijvend, dat weet iedereen. Maar als alleen verplichtingen zijn en er staat niets tegenover, dan zal de vrijwilliger na korte of langere tijd afhaken. En nieuwe vrijwilligers worden niet zo één, twee, drie gevonden. Kortom met inzet van vrijwilligers is de kwaliteit van de dienstverlening niet altijd gewaarborgd. Een grote zorg.

Aan de andere kant: zo lang er mensen zijn die zich op welke manier dan ook willen blijven inzetten ten behoeve van de medemens, dan is dat ook goed voor onze samenleving en moeten we daar een dankbaar gebruik van maken.
We stonden nog even door te praten. Vanuit mijn borstzak klonk een zoemend geluid. Een blik op mijn horloge maakte mij duidelijk, dat mijn vergadering over enkele minuten zou beginnen. Ik zei hem, dat ik zijn probleem in de vergadering aan de orde zou stellen en dat we naar oplossingen zouden zoeken. Hij bedankte mij, dat ik naar zijn klachten had willen luisteren.
We namen afscheid. Hij liep enigszins opgelucht terug naar huis. Ik haastte mij naar binnen.

Groesbeek, 19 mei 2015

Wim Moll




Vertellers door de eeuwen heen

Enkele weken geleden keek ik naar het programma Boeken (VPRO NPO1) waarin Guus Kuijer te gast was om te vertellen over zijn boekenserie: “De Bijbel voor Ongelovigen”. Guus is een begenadigd verteller en vooral bekend door zijn kinderboeken o.a. “Met je kop in de prullenbak”. In mijn vroegere loopbaan – leerkracht Basisonderwijs – genoot ik met mijn kinderen van de belevenissen van hoofdpersoon Madelief: vrolijk, tegendraads, soms melancholiek, levensecht. Heerlijk om voor te lezen, fijn om over door te praten. Ook in de bijbelserie gaat Guus Kuijer zo zijn eigen gang, vertelde hij. Hij richt zich op de oude verhalen en vertelt die opnieuw, anders. Hij laat bijvoorbeeld een verhaal vertellen vanuit het perspectief van een minder belangrijk persoon uit het verhaal. De uittocht uit Egypte gezien vanuit de ogen van de prinses, die Mozes met zijn rieten mandje uit het water haalde met risico voor haar eigen positie. Eerbied voor het oude verhaal, maar met een andere kijk op de gebeurtenissen.

Nog tijdens de uitzending borrelden er in mijn hoofd allerlei ideeën op. Een van de redenen, waarom de manier van werken van Guus Kuijer mij op dat moment zo aansprak, was gelegen in het feit dat ik als docent van een schrijfgroep mijn cursisten de opdracht had gegeven om te gaan spelen met perspectief. Hun opdracht was om een observatie te maken van een (fictieve) persoon in een drukke omgeving, een wachtkamer, een café of iets dergelijks. Door de observatie moesten zij zich een beeld van die persoon gaan vormen. Daarna moesten zij de situatie beschrijven vanuit de ogen van de persoon uit het eerste verhaal. Enkele cursisten mopperden aanvankelijk dat het wel erg moeilijk was. Maar daarvan was bij het navertellen niets te merken. Alle verhalen hadden een open eind: er kon nog van alles gebeuren.

Ja, dat vertellen aan elkaar. In mijn schrijfgroep heeft het een belangrijke sociale functie. In ons geval is het vaak het delen van emoties bij verhalen over aangrijpende periodes in een mensenleven, het overlijden van een familielid bijvoorbeeld. Maar soms ook het delen van ervaringen: de een vertelt over het leven in een dorp bij Nijmegen, een ander over een dorp in Friesland, weer iemand anders vertelt over het “stadse” leven, vaak van tientallen jaren geleden. Ieder heeft totaal ander ervaringen opgedaan, in zijn vroege jeugd, als jong volwassene, op middelbare leeftijd. Je vertelt erover en wordt een stukje wijzer.

En als (groot-)ouders doe je dat toch vaak zo met je (klein-)kinderen? Vertellen over hoe het vroeger was, hoe je de bezetting hebt beleefd, hoe het leven was in de wederopbouw, voor welke vrijheden je in de jaren 70 op de bres stond, over je beroepskeuze enzovoort. Om de een of andere reden vinden we dat onze (klein-) kinderen “ons” verhaal moeten weten. Vaak vinden we een gewillig en luisterend oor. Maar een enkele keer hoor je: “Ja, oma/opa, dat verhaal kennen we wel.” Dan zwijg je maar even.

Dat mondeling doorgeven van ervaringen hebben mensen al heel lang gedaan. Hoe je moest jagen, hoe je voedsel moest zoeken, op welke tekenen je moest letten. Daaruit ontstonden op een gegeven moment verhalen. Op rustige momenten, ’s avonds bij het kampvuur, werden die door de ouderen doorgegeven. Iedere familie, groep, stam, streek, land kreeg zo – en heeft nog steeds – zo zijn eigen verhalen.

Het waren vertellers die de oeroude verhalen van het Hebreeuwse volk mondeling in leven hielden. Jarenlange mondelinge overlevering met beïnvloeding van verschillende volkeren in het Midden-Oosten werd vastgelegd in de Babylonische diaspora, toen de verhalen werden opgeschreven: de grondslag voor de Thora en later voor het Oude Testament van onze Bijbel. Men koos de verhalen, die bepalend waren voor het Joodse volk. Waarmee men kon laten zien wat belangrijk was, waarin de ziel van het volk weerklonk. Sommige aspecten werden wat aangedikt, andere werden weggelaten. Daar zal heel wat over gebakkeleid zijn. En ook over de verhalen, die opgenomen zouden worden in het Nieuwe Testament, is tientallen jaren vergaderd in verschillende synodes. De teksten moesten wel binnen de afgesproken kaders blijven. De vertellers van de evangeliën hebben hun overeenkomsten, maar ook duidelijke verschillen. Het zijn geen ooggetuigenverslagen, vaak pas tientalen jaren na het overlijden van Christus opgeschreven. Bij nadere bestudering vind je duidelijke verwijzingen naar het Oude Testament, waarin bepaalde gebeurtenissen waren voorzegd. Onlangs stond nog in de krant dat geleerden hadden aangetoond dat de Evangeliën delen van oude Egyptische mythen bevatten.

Meteen denk ik dan weer aan een aantal schrijvers uit onze tijd die met de verhalen uit het Nieuwe Testament in de weer zijn geweest. Die bijvoorbeeld het passieverhaal hebben verteld vanuit het perspectief van Judas of Maria. Daar zat vaak een maatschappelijke of politieke motivatie achter om het verhaal anders te willen vertellen. Wel interessant om te lezen.

Ook in onze contreien werden volksverhalen tot ver in de Middeleeuwen mondeling overgeleverd. De oudste geschriften dateren pas van na het jaar 1000. En omdat het kunnen lezen en schrijven slechts toebehoorde aan de toplaag van de bevolking is het mondeling doorgeven nog veel langer doorgegaan. Op jaarmarkten trokken minstrelen met de oude verhalen veel bekijks. In herbergen en huiskamers werden gebeurtenissen doorverteld: de mooie dingen aangedikt, het minder positieve afgezwakt. Iedere luisteraar hoorde zijn eigen verhaal en vertelde het ook weer op zijn eigen manier verder. We kennen het kinderspelletje “doorvertellen” nog wel en weten wat er van het oorspronkelijke verhaal overblijft. Soms compleet veranderd!

Ik ben nog steeds blij met dat initiatief van Unie KBO om schrijven als expressiemiddel voor ouderen te gaan propageren. Toen ik ervan hoorde, heb ik in mijn woonplaats ook een groep, een schrijfatelier opgestart. Voor mijzelf een leuk vervolg op mijn oude loopbaan. Maar het belangrijkste is toch, dat we de verhalen met elkaar delen. In alle verscheidenheid zijn er altijd punten van herkenning, en steeds leidt het tot weer nieuwe verhalen. Door de reacties en de tips die we aan elkaar geven komen we steeds een stapje verder. Soms is het een spelen met woorden, maar de meeste keren zijn we bezig met autobiografisch schrijven: gebeurtenissen uit ons leven komen in een nieuw licht te staan. “Het brengt de schrijver dichter bij zichzelf, het geeft verdieping en kleur.” En dat hebben verhalen altijd gedaan.

Wim Moll