Er is geen gebruiker ingelogd

Column Peter van Loon
Spinoza, filosoof van de vrijheid

Baruch de Spinoza, groot filosoof, geboren en getogen op Vlooienburg, als tweede generatie Amsterdammer van Joodse afkomst, leefde van 1632 tot 1677. Zijn grondhouding tegenover de overheid was: “In een vrij staatsbestel is het een ieder toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt”. De stad Amsterdam was zijn grote voorbeeld als plek waar vrijheid en goed burgerschap van groter belang waren dan religie en overtuiging. “Men zegt wel eens: terwijl de Romeinen palaverden, ging Saguntum ten onder. Maar wanneer anderzijds een zeer gering aantal personen alles beslist uit eigenbelang alleen, dan gaat de vrijheid en het gemenebest zelf verloren. Met ons menselijk verstand kunnen wij niet alles meteen doorzien. Maar door met elkaar te overleggen, te luisteren en te disputeren krijgen wij meer inzicht.”

Kenmerkend voor Spinoza's filosofie is dat vrijheid van filosoferen, of meer algemeen van denken, aan de grondslag moet liggen van een leefbare samenleving. Hij geeft in zijn boek Theologisch-politiek traktaat (1670) een principiële filosofische verdediging van tolerantie en democratie. Het bewijs van de betekenis en de mogelijkheid van beide heeft hij gezocht in het dagelijks leven in de stad Amsterdam in de Gouden Eeuw, die haar welvaart en voorspoed hieraan te danken heeft. Dit boek bevat voorts een wetenschappelijke analyse van de bijbel en geeft een naturalistische verklaring van het ontstaan van godsdiensten. Spinoza behandelt de vraag waar religieuze autoriteit op berust, namelijk op het vermogen mensen aan te sporen tot rechtvaardigheid en naastenliefde. Dit is het wezen van elke religie. Alles wat hiermee strijdig is, is bijgeloof, dat mensen onvrij maakt en de samenleving vernietigt. Het boek is daarmee een uiterst krachtige verdediging van de vrije samenleving. Het was zeer schokkend, omdat het de goddelijke basis van de bijbel verwierp en het christendom niet als enige ware religie zag. Het veroorzaakte een ware stortvloed van kritiek in heel Europa.

Spinoza verdiepte zich ook in de opkomende natuurwetenschap, de rationele benadering van de natuur, de positie van de mens in het universum en in de studies van filosofen als Hobbes en Leibniz over de kenmerken van de strijd tussen religieuze groepen in die tijd. Spinoza ging een stap verder dan wetenschappers als Descartes en Newton door het denken van de mens als een natuur verschijnsel te zien en niet iets van de ziel of van een opperwezen. En daarmee stelde hij de natuur gelijk aan God.

Toen in 1672 de gebroeders de Witt werden vermoord, had Spinoza het zwaar en twijfelde wel even. Maar met zijn uitspraak "Men moet menselijk handelen niet bespotten, niet betreuren , niet veroordelen, doch begrijpen" kwam hij er wel weer bovenop.
In het hedendaagse debat over het vrije Europa, in de discussies over culturele en religieuze integratie en voor de inzichten over de vrije wil in ons brein kunnen Spinoza’s ideeën een verhelderend rol spelen.

Peter van Loon
www.amsterdamsespinozakring.nl